Nieuwe vacature PNN: Algemeen Bestuurslid Diversiteit & Buitenpromovendi

Het PNN is de landelijke belangenorganisatie voor en door promovendi in Nederland. We vertegenwoordigen promovendi op nationaal niveau en zijn daarmee een gesprekspartner voor o.a. Tweede Kamerleden, het ministerie van OCW, de VSNU, de KNAW, Science in Transition en Academic Transfer. We organiseren jaarlijks verschillende bijeenkomsten, zijn actief in de VAWO (de vakbond voor de wetenschap) en Eurodoc (Europees PhD-overleg). Op onze ALV’s overleggen promovendi-vertegenwoordigers van alle Nederlandse universiteiten en UMC’s met elkaar.

Vanaf 20 september 2019 is het PNN op zoek naar versterking in de vorm van een nieuw algemeen bestuurslid Diversiteit & Buitenpromovendi. Zie de bijlage voor de volledige beschrijving. 

Vacature bestuurslid Diversiteit & Buitenpromovendi

Vragen of mogelijk interesse? Aarzel dan niet ons te benaderen! Vragen over het PNN kun je stellen aan Kimberley Anneveldt (secretaris@hetpnn.nl). Je sollicitatiebrief en CV kun je eveneens opsturen naar secretaris@hetpnn.nl. Wij ontvangen je sollicitatie graag uiterlijk 30 augustus. De sollicitatiegesprekken vinden overdag plaats op woensdag 4 september in Utrecht.

Reactie PNN op tussenevaluatie experiment promotieonderwijs

Het Experiment Promotieonderwijs, waarbij promovendi als student in plaats van werknemer worden aangesteld, vindt plaats aan de Rijksuniversiteit Groningen (met 850 plaatsen) en de Erasmus Universiteit Rotterdam (met 15 plaatsen). Er is al veel om het experiment te doen geweest. Promotiestudenten voelen zich tweederangs-promovendi en menen dat de beloofde voordelen van het experiment, zoals meer vrijheid, uitblijven. De RUG noemt het experiment een groot succes en doet de klachten af als ‘fake news’. Gelet op deze tegenstrijdige signalen is een gedegen tussenevaluatie nodig. Een tussenevaluatie is wettelijk verplicht en dient ter bescherming van de promotiestudenten. Doel is te bepalen of het experiment vanwege ernstige problemen tussentijds stopgezet moet worden. Inmiddels is de tussenevaluatie uitgevoerd door onderzoeksbureau CHEPS. Dit onderzoek vertoont echter duidelijke tekortkomingen. Hierdoor blijven promotiestudenten deel van een experiment dat mogelijk ernstige nadelige effecten heeft voor deze promovendi.

1. Weinig eigen onderzoek

Bij de uitvoering van de tussenevaluatie ging het al mis. Onderzoeksbureau CHEPS verlaat zich grotendeels op de data die de RUG verzameld heeft en heeft geen eigen onderzoek gedaan, zelfs niet daar waar de RUG enquêtes onvoldoende doorvroegen (zie hierna punt 9 en 10).  Tevens hadden de onderzoekers van CHEPS geen toegang tot de originele data, alleen tot een door de RUG geprepareerde dataset.

2. Inmenging door de Rijksuniversiteit Groningen

Ter aanvulling zijn interviews gehouden onder RUG personeel. De geïnterviewden zijn uitgenodigd en grotendeels ook geselecteerd door een hooggeplaatste RUG functionaris (zie hier). Zij zijn vervolgens aangespoord bij te dragen aan een positieve tussenevaluatie (zie voor één van de e-mails hier). Een enkeling kreeg zelfs promotiemateriaal toegestuurd. Voorstanders van het experiment kregen, ter voorbereiding, een lijst met onderwerpen toegestuurd, potentieel meer kritische personen niet.

3. Oneerlijke verslaglegging

Door de uitnodigingen voor interviews vanuit een hooggeplaatste RUG-functionaris te sturen, inclusief propaganda, miste de vertrouwelijke en veilige omgeving die nodig is voor onafhankelijke interviews. Dat geldt zeker voor lager geplaatst personeel zoals promovendi. Wetenschappelijke integriteitsnormen schrijven voor dat inmenging door belanghebbenden gemeld wordt.[1] Ondanks aandringen van PNN is in het rapport niets terug te vinden over de gang van zaken.[2]

4. Weinig inbreng promotiestudenten

Promotiestudenten zijn te weinig betrokken in het onderzoek: 11 beleidsmakers, directeuren en decanen werden uitgebreid geïnterviewd in persoonlijke gesprekken, tegenover drie promovendivertegenwoordigers, een lid van de medezeggenschap en een student. Promotiestudenten konden slechts participeren in een rondetafelgesprek van twee uur, met mogelijke onderlinge controle en dus minder ruimte voor kritiek. Wij hebben van twee participanten begrepen dat wel geuite kritiek overigens voor een groot deel niet terug te vinden is in de verslaglegging.

5. Verdringing van werknemerpromovendi door promotiestudenten

Minister Bussemaker wilde met het experiment vaststellen of werknemerpromovendi verdrongen zouden worden door promotiestudenten. De Raad van State waarschuwde dat: “besturen van universiteiten in de huidige economische situatie op grote schaal trajecten voor werknemers-promovendi gaan vervangen door de goedkopere trajecten voor promotiestudenten.” Dit is gebeurd aan de RUG: 75 werknemerpromovendi (betaald uit de eerste geldstroom), zijn vervangen voor promotiestudenten.[3] De onderzoekers menen dat dit geen verdringing is, omdat de universiteit hier bewust toe besloten heeft.[4] Beleidsmatige en structurele verdringing is in de ogen van PNN nog kwalijker, zeker aangezien de RUG bij aanvang van het experiment aangaf dat de promotiestudenten extra zouden zijn en niet ter vervanging van werknemerpromovendi.

6. Goochelen met cijfers

De onderzoekers concluderen dat er meer promotieplekken zijn dankzij het experiment. Zij wegen daarbij niet mee dat veel van deze extra plekken aan de RUG worden gecreëerd door een meer dan vervijfvoudigde (!) investering uit de eerste geldstroom in promotieplekken: van 3,3 m€ per jaar in het verleden naar 17,9 m€.[5] Als dit bedrag in posities voor werknemerpromovendi was  gestoken, waren er ook extra promotieplekken bijgekomen. De tussenevaluatie roept onterecht het beeld op dat het experiment de voornaamste oorzaak van de extra promotieplekken is.

Opmerkelijk is ook dat de onderzoekers aangeven geen kosten/baten analyse te hebben gemaakt,[6] terwijl wel wordt gesteld dat er extra promotieplaatsen zijn bijgekomen door het experiment. Daar valt echter zonder gedegen kostenberekening niets over te zeggen. Zo worden verschillende extra kosten die gepaard gaan met het experiment, en daardoor kunnen leiden tot minder promotieplaatsen, niet betrokken in de tussenevaluatie. Het gaat om kosten voor het trainingsaanbod, het aanstellen van extra docenten doordat promotiestudenten geen of minder onderwijs verzorgen,[7] compensatieregelingen die promotiestudenten extra tijd geeft t.o.v. werknemerpromovendi en een eenmalige financiële compensatie voor sommige promotiestudenten. Verder wordt, zonder verdere onderbouwing, gesteld dat een vierjarig traject voor werknemerpromovendi €240.000 kost.[8] De NWO rekent hier ongeveer € 200.000 voor en bij navraag bij een planning en control van een andere universiteit blijkt dat daar € 193.000 wordt aangehouden. Door voor werknemerpromovendi te hoge kosten voor te spiegelen, lijken promotiestudenten voordeliger dan ze werkelijk zijn.

7. Meer vrijheid? Niet te meten

Het experiment moet de onderzoeksvrijheid voor promovendi vergroten. Uit de tussenevaluatie blijkt dat dit volgens promotiestudenten en hun begeleiders tegenvalt. Wel is er meer vrijheid bij de onderwerpkeuze. Dit wordt echter niet veroorzaakt door de student-status. Aan de RUG worden promotiestudenten betaald uit de eerste geldstroom. Zij worden vervolgens vergeleken met werknemerpromovendi op extern gefinancierde (en vastomlijnde) projecten. Het experiment meet dus de verschillen naar inkomstenbron in plaats van naar status. De onderzoekers laten dit onvermeld en schrijven de grotere vrijheid in onderwerpkeuze zonder voorbehoud toe aan het experiment.[9]

8. Shoppen met data

Er worden opvallend weinig gevolgen verbonden aan de enquête onder begeleiders[10] die eerder door de RUG zelf weggelaten werd uit haar zelfevaluaties. Uit deze enquête blijkt dat begeleiders promotiestudenten naar eigen zeggen (gemiddeld) niet meer vrijheid geven, zelfs niet bij de onderwerpkeuze. Hier is in de conclusies niets mee gedaan. Opvallend is verder dat de tabel waaruit de slechte scores duidelijk bleek, is vervangen voor een tamelijk onduidelijke staafdiagram (p. 89).

9. Tevredenheid is niet gemeten

De tussenevaluatie gaat er vanuit dat promotiestudenten tevreden zijn over hun traject, omdat zij opnieuw voor een plek als promotiestudent zouden kiezen.[11] Deze vraagstelling (uit de RUG enquêtes) is onbruikbaar om tevredenheid te meten. Promotiestudenten wordt voorgehouden dat het een plek als promotiestudent is, of anders niets. De keuze bij de beantwoording is daardoor: zou ik weer kiezen voor een plek als promotiestudent of zou ik kiezen voor helemaal geen promotieplek. Dat zegt niets over de tevredenheid met de positie vergeleken met een positie als werknemerpromovendi. En dat is de vergelijking waar het experiment om draait.

10. Druk om onbetaald onderwijs te geven

Een veelgehoorde klacht, die ook terugkomt in de tussenevaluatie, is dat promotiestudenten onder druk worden gezet om onbetaald onderwijs te geven.[12] Doordat CHEPS zich op de RUG enquêtes baseert, is alleen gekeken naar de respons op de volgende stelling: “Ik ben tevreden dat ik geen onderwijs hoef te geven aan studenten of studenten hoef te begeleiden”[13] Zonder gestructureerd onderzoek en enkel op basis van ontkenningen door de verantwoordelijke Graduate School directeuren, wordt vervolgens toch geconcludeerd dat het allemaal wel mee zal vallen.[14] 

11. Nederland doet het goed in Europees verband

Het rapport (p. 17) meldt dat Nederland tamelijk slecht scoort op het aantal gepromoveerden onder 25-34 jarigen. Dit conflicteert met de EU-cijfers, waar Nederland juist sinds 2011 in de top 5 staat. Verder klopt het niet dat nagenoeg alle andere landen in Europa een systeem met promotiestudenten kennen, zoals het rapport (op p. 18) stelt. Zo werken Denemarken (van oudsher), maar ook Noorwegen en Zweden, nagenoeg uitsluitend met promovendiwerknemers.

12. Foutief aanhalen Bologna proces

Ten slotte wordt (op p. 13 en 18) gesuggereerd dat het Bologna proces (wat gezorgd heeft voor het Ba-Ma systeem) vergt dat een systeem met promotiestudenten wordt ingevoerd. Dat is onjuist, het Bologna proces laat het aan landen zelf om te beslissen over de juridische status van promovendi. Sterker nog, de Salzburg Recommendations (onderdeel van Bologna) bepalen: “Doctoral candidates as early stage researchers: should be recognized as professionals – with commensurate rights – who make a key contribution to the creation of new knowledge”.

Oproep: doe goed onderzoek

Een experiment vraagt om onafhankelijk en eerlijk onderzoek. Door de genoemde hiaten, fouten, eenzijdige weergaven en ongeregeldheden rondom de interviews, zegt de tussenevaluatie niets over de werkelijke gang van zaken binnen het experiment. PNN roept Minister van Engelshoven daarom dringend op om, mede in het belang van de betrokken promotiestudenten, een contra-expertise te houden en een onderzoek in te stellen naar hetgeen is voorgevallen. Daarnaast roept PNN de minister op om de Rijksuniversiteit Groningen in ieder geval niet mee te laten doen aan een tweede ronde van het experiment. Ten eerste omdat een tweede ronde volgens Minister Bussemaker bedoeld was voor universiteiten waarvoor de eerste ronde te snel kwam.[15] Ten tweede omdat de Rijksuniversiteit zich op een dusdanige wijze gedraagt dat de betrouwbaarheid van de evaluatie van het experiment in het geding komt.

Vanwege dit alles vragen wij de minister daarnaast om het experiment aan de Rijksuniversiteit Groningen stop te zetten. Een experiment waarbij partijen de resultaten oneigenlijk pogen te beïnvloeden is zinloos: de resultaten zijn dan onbetrouwbaar.

Oproep: geen nieuwe ronde

De klachten vanuit promotiestudenten en de problemen rondom de tussenevaluatie vragen om een zorgvuldige monitoring en een beëindiging van het experiment aan de Rijksuniversiteit Groningen. Een nog verdere uitbreiding is, gelet op alle negatieve signalen, onverantwoord en vormt een risico voor nog eens honderden kwetsbare jonge onderzoekers. We vragen de minister op te komen voor deze kwetsbare groep onderzoekers en vast te houden aan haar oorspronkelijke besluit om het experiment niet verder uit te breiden. PNN betreurt dat de minister besloten heeft uitvoering te geven aan de motie van Van der Molen c.s. om een tweede ronde open te stellen. PNN meent dat er – als er toch een tweede ronde komt – in ieder geval slechts een zeer beperkt aantal nieuwe promotiestudenten kan starten, omdat de wet vereist dat het merendeel van de promotiestudenten uiterlijk in 2018 gestart moet zijn.[16] Aangezien de eindevaluatie plaatsvindt in 2021,[17] zal een nieuwe ronde die van start gaat in 2020 nauwelijks nog valide resultaten kunnen opleveren. Een tweede ronde zou dan ook enkel een kostenbesparend middel opleveren voor universiteiten, terwijl dit bij invoering van het experiment juist werd genoemd als een reden om het experiment tussentijds te beëindigen.[18]

Voetnoten

[1] Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit, gedragsnorm 8 en 44.

[2] Opvallend is dat wél wordt opgemerkt dat GRIN, het plaatselijke promovendioverleg, geholpen heeft bij de organisatie van het rondetafelgesprek met promotiestudenten (tussenevaluatie, p. 10).

[3] Tussenevaluatie, p. 35.

[4] Tussenevaluatie, p. 104.

[5] Tussenevaluatie, p. 40.

[6] Tussenevaluatie, p. 24.

[7] De tussenevaluatie vermeldt op p. 98 dat werknemerpromovendi maar weinig en maximaal 20% onderwijs mogen geven op basis van de Cao. Dit is onjuist: dit staat niet in de Cao en aan de RUG is het maximaal 25%.

[8] Tussenevaluatie, p. 24.

[9] Tussenevaluatie, p. 104 en p. 49-51

[10] Tussenevaluatie, p. 26.

[11] tussenevaluatie, p. 102.

[12] Zie ook p. 99 van de tussenevaluatie.

[13] Tussenevaluatie, p. 28.

[14] Tussenevaluatie p. 100 en 104.

[15] Kamerstuk Tweede Kamer, Vergaderjaar 2014–2015, 31288, nr. 437, p. 25.

[16] Artikel 8 lid 2 van het Besluit Experiment Promotieonderwijs.

[17] Artikel 13 van het Besluit Experiment Promotieonderwijs.

[18] Kamerstuk Tweede Kamer, Vergaderjaar 2014–2015, 31288, nr. 437, p. 23.

PNN organiseert derde voorlichtingsbijeenkomst over arbeidsvoorwaarden in Utrecht

Sinds enkele maanden is Promovendi Netwerk Nederland actief bezicht om promovendi voor te lichten over hun rechten. Promovendi blijken daar namelijk vaak onvoldoende van op de hoogte te zijn, en dat zorgt voor misstanden en mentale problemen. Betere voorlichting is een belangrijke eerste stap om die te voorkomen. Na succesvolle eerdere edities in Wageningen en Leiden vindt op 27 juni de volgende voorlichtingsbijeenkomst plaats in Utrecht, in samenwerking met de vakbond voor de wetenschap (VAWO) en het PhD Network Utrecht (PROUT). Op het programma staan onderwerpen als zwangerschaps- en ouderschapsverlof, de verhouding tussen onderzoek en andere taken en de transitievergoeding.

Promovendi Netwerk Nederland

Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) zet zich al decennia op landelijk niveau in voor de belangen van promovendi. Eerlijke contracten zijn een speerpunt voor PNN. Zo brengt PNN jaarlijks de Monitor Arbeidsvoorwaarden uit, waarin PhD contracten in Nederland onder de loep worden genomen. Daarnaast verzet PNN zich al lange tijd actief tegen het experiment met studentpromovendi. Daar komt vanaf dit jaar actieve voorlichting over promovendirechten bij.

Nieuwe cao, nieuwe rechten

De nieuwste cao-NU, die vorige zomer inging, biedt een mooi uitgangspunt om promovendi te informeren over hun arbeidsrechten. In deze cao is namelijk een aantal belangrijke verbeterpunten opgenomen met betrekking tot de positie van promovendi (zie tevens het bericht hier). Zo is voor het eerst vastgelegd dat een promotiecontract in beginsel vier jaar fulltime moet zijn, is er duidelijkheid geschapen over verlenging van het contract bij ouderschapsverlof en is de mogelijkheid tot een stage tijdens het promotietraject vastgelegd. PNN informeert promovendi hierover, zodat deze rechten ook in de praktijk gebracht gaan worden. PNN werkt hierbij nauw samen met de VAWO, de vakbond voor de wetenschap, en de lokale promovendi-overleggen.

Voorlichting

Op 27 juni vindt de derde voorlichtingsbijeenkomst van dit jaar plaats in Utrecht, na succesvolle edities in Wageningen en Leiden. In het najaar van 2019 zullen andere universiteiten volgen. Ook wordt hard gewerkt aan een ‘know your rights’ leaflet, waardoor alle promovendi bij aanvang van het proefschrifttraject over hun rechten geïnformeerd worden. Voor een gezond promotieklimaat zijn eerlijke contracten van essentieel belang. Het vergroten van de kennis van promovendi over hun rechten is daarbij een eerste stap.

Tijd: 27 juni 2019 17.30 – 19.00 (inloop vanaf 17.00)

Locatie: Drift 21, Utrecht – Sweelinckzaal (kamer 0.05)

Organisatie: PROUT

Open brief Tweede Kamer: stem tegen verdere afbraak Nederlandse promotiestelsel! 

4 juni 2019                                

Het CDA gaat morgen in het VAO Wetenschapsbeleid een motie indienen die oproept tot uitbreiding van het experiment met promotiestudenten dat zich hoofdzakelijk afspeelt aan de Rijksuniversiteit Groningen. Binnen dit experiment worden promovendi niet aangesteld als werknemer, zoals gebruikelijk is in Nederland, maar als student met een beurs. Zij bouwen geen pensioen op, worden niet beschermd door de CAO en verdienen in totaal zo’n € 20.000 netto minder dan promovendi-werknemers. Het idee van het CDA is dat als de tussenevaluatie van het experiment (die nu plaatsvindt) positief uitpakt, het experiment verder moet worden uitgebreid omdat er in Nederland anders onvoldoende gepromoveerden zouden worden afgeleverd. Dit standpunt strookt alleen niet met de feiten (zie hierna).

Op dit moment gaat er een hoop mis achter de schermen. Groningse promovendi  keren zich steeds meer tegen het experiment. De verschillen tussen werknemerpromovendi en promotiestudenten blijken nagenoeg afwezig, in welk geval zij volgens Minister Bussemaker een contract als werknemer kunnen eisen. De RUG heeft geen reserves opzij gezet om deze kosten te dekken, zo blijkt uit stukken die PNN via een Wob-verzoek heeft gekregen.

Desondanks wil de RUG het experiment uitbreiden met nog eens honderden promotiestudenten. De discussie wordt daarbij gedomineerd door onjuiste en eenzijdige cijfers. PNN brengt daarom de volgende punten onder uw aandacht:

  1. De tussenevaluatie die momenteel wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau CHEPS verloopt niet onafhankelijk. De RUG heeft pogingen ondernomen om de resultaten te beïnvloeden door participanten voorafgaand aan interviews aan te sporen positief te zijn over het experiment, het onderzoeksbureau baseert zich grotendeels op zelfevaluaties van de RUG en weigert tot nu toe klachten vanuit promotiestudenten serieus te onderzoeken. Voor meer informatie, zie: hier, hier en hier.
  2. Het klopt niet dat Nederland weinig gepromoveerden aflevert. Al sinds 2011 staat Nederland steevast in de EU top 5 van landen met de meeste gepromoveerden onder 25-34 jarigen. Dat Nederland nog gemiddeld scoort op gepromoveerden in de totale populatie, komt  doordat Nederland in de jaren ’80 en ’90 aanzienlijk minder gepromoveerden afleverde dan nu. Die cijfers zeggen dus niets over de actuele situatie.
  3. Vaak wordt verwezen naar de Scandinavische landen waarmee Nederland zich wil meten. Daarbij wordt steevast verzwegen dat ook de Scandinavische landen bijna helemaal werken met promovendi-werknemers en niet met promotiestudenten. Zo werkt Denemarken (een ander land dat ieder jaar in de genoemde EU top 5 staat) uitsluitend met promovendi-werknemers. In Zweden was al langere tijd het merendeel van de promovendi als werknemer aangesteld en is dit recent ook bij wet verplicht gesteld. Ook in Noorwegen zijn promovendi normaal gesproken aangesteld als werknemer en zijn er maar zeer beperkt beurzen beschikbaar voor internationale promovendi.
  4. Binnen het experiment aan de RUG krijgen internationale promotiestudenten een zogeheten top-up beurs ter aanvulling van de lage beurs uit het land van herkomst (vaak China). PNN meent dat de positie van deze internationale beurspromovendi verbeterd moet worden, maar vindt het onjuist om daarvoor het hoogwaardige Nederlandse promotiestelsel naar beneden bij te stellen. Dat dit ook anders kan illustreren andere universiteiten die niet meedoen aan het experiment, maar ook een top-up beurs geven aan deze internationale promovendi (de TU Delft deed dit bijvoorbeeld als eerste, dus al voor de RUG).

Kortom: we roepen u op om deze motie niet te steunen. Het ontneemt nog eens honderden promovendi van hun werknemersrechten, terwijl de argumenten die hiervoor zouden pleiten grotendeels onjuist zijn en de situatie aan de RUG tot veel onvrede en ongelijkheid leidt en financieel onverantwoord is.

Namens het PNN-bestuur,

Anne de Vries (voorzitter)

Nieuwe vacatures PNN: voorzitter, intern voorzitter, algemeen bestuurslid

Het PNN is de landelijke belangenorganisatie voor en door promovendi in Nederland. We vertegenwoordigen promovendi op nationaal niveau en zijn daarmee een gesprekspartner voor o.a. Tweede Kamerleden, het ministerie van OCW, de VSNU, de KNAW, Science in Transition en Academic Transfer. We organiseren jaarlijks verschillende bijeenkomsten, zijn actief in de VAWO (de vakbond voor de wetenschap) en Eurodoc (Europees PhD-overleg). Op onze ALV’s overleggen promovendi-vertegenwoordigers van alle Nederlandse universiteiten en UMC’s met elkaar.

Vanaf 21 juni 2019 is het PNN op zoek naar versterking in de vorm van een nieuwe voorzitter, een nieuw intern voorzitter en een nieuw algemeen bestuurslid. Zie hieronder voor de volledige vacatureteksten:

Meer informatie

Vragen of mogelijk interesse? Aarzel dan niet ons te benaderen! Vragen over het PNN kun je stellen aan Martijn Stoutjesdijk (martijn.stoutjesdijk@hetpnn.nl, 06-53793818). Je sollicitatiebrief en cv kun je opsturen naar martijn.stoutjesdijk@hetpnn.nl. Wij ontvangen je sollicitatie graag uiterlijk 3 juni. De sollicitatiegesprekken vinden plaats op donderdag 13 juni in Utrecht.

PNN luidt de noodklok: geen onafhankelijke evaluatie van experiment promotieonderwijs

Het experiment promotieonderwijs, dat zich met 850 promotiestudenten hoofdzakelijk aan de Rijksuniversiteit Groningen afspeelt, wordt op dit moment geëvalueerd. Doel van de tussenevaluatie is om te bepalen of het experiment tussentijds moet worden stopgezet. De RUG lijkt een (positieve) tussenevaluatie echter vooral te zien als een kans om het experiment verder te kunnen uitbreiden met nog eens 800 promotiestudenten. PNN waarschuwt: de tussenevaluatie uitgevoerd door onderzoeksbureau CHEPS kenmerkt zich door inmenging en (de schijn van) partijdigheid. Na intern tevergeefs herhaaldelijk aan de bel getrokken te hebben, ziet PNN zich genoodzaakt naar buiten te treden.

Achtergrond

Het experiment promotieonderwijs heeft tot veel commotie en Kamervragen geleid. Terwijl in Nederland promovendi normaal gesproken universitaire medewerkers zijn, worden zij binnen het experiment aangesteld als student met een beurs. De zelfevaluaties van de RUG zijn zeer positief, maar vanuit promotiestudenten komen andere geluiden. De toegezegde voordelen van het experiment, zoals meer vrijheid in het onderzoek en geen onderwijstaken, vallen volgens hen in de praktijk tegen. De nadelen blijven staan: promotiestudenten lopen ruim € 20.000 mis ten opzichte van werknemer-promovendi, bouwen geen pensioen op en worden niet beschermd door de cao. Eerder toonden partijen als het Promovendi Netwerk Nederland, het Interstedelijk Studenten Overleg en de Raad van State zich zeer kritisch over het experiment.

De tussenevaluatie

Ter bescherming van de jonge onderzoekers die onder dit experiment vallen, zou er een tussenevaluatie plaatsvinden om te bepalen of het experiment tussentijds stopgezet dient te worden. Momenteel wordt in opdracht van het Ministerie van OCW deze tussenevaluatie uitgevoerd door het onderzoeksbureau CHEPS (Universiteit Twente).

Van een onafhankelijke tussenevaluatie is echter geen sprake, zo blijkt uit stukken die PNN aan het NRC Handelsblad ter inzage heeft gegeven. CHEPS baseert zich bij haar onderzoek vooral op eerdere zelfevaluaties en enquêtes vanuit de RUG, zonder toegang te hebben tot de onderliggende ruwe data. Ondanks herhaald aandringen, heeft het onderzoeksbureau nagelaten om zelf gestructureerd kwantitatief onderzoek te doen onder promotiestudenten.

In aanvulling op de RUG-data zijn er interviews gehouden met een handjevol betrokkenen: hoofdzakelijk beleidsmedewerkers en bestuurders van de RUG, maar ook enkele vertegenwoordigers van promovendi, studenten en Universiteitsraad. PNN  heeft klachten ontvangen dat deze personen, die benaderd (en deels geselecteerd) zijn door de RUG, werden aangespoord om positief te zijn over het experiment: “We hopen dat een positieve tussentijdse evaluatie voor de politiek voldoende aanleiding zal zijn om de door ons gewenste uitbreiding van het huidige quotum toe te staan. […] Ik weet dat de huidige Minister negatief lijkt te staan ten opzichte van het door de vorige Minister gestarte programma promotieonderwijs. Daarom is het extra belangrijk dat deze tussentijdse evaluatie goed verloopt.” Wat ook opvalt is dat de RUG-beleidsmedewerkers en bestuurders vooraf een lijst met te bespreken onderwerpen toegezonden kregen zodat zij zich goed konden voorbereiden op het interview. Veel van de potentieel kritische personen kregen deze mogelijkheid niet.

Na klachten over deze gang van zaken, is PNN gevraagd om te helpen bij de organisatie van een rondetafel met promotiestudenten. Deelnemende promotiestudenten gaven echter aan dat het onderzoeksbureau CHEPS hierbij sturend optrad. Bovendien lijkt veel van deze door promotiestudenten geuite kritiek niet te zijn meegenomen in de evaluatie en ook niet verder onderzocht, zo bleek uit een conceptrapport dat PNN heeft kunnen inzien.

Geen onafhankelijk onderzoek

Deze gang van zaken maakt dat de tussenevaluatie hoofdzakelijk een herhaling dreigt te worden van de eigen bevindingen van de RUG – een partij die groot belang heeft bij een positieve uitkomst – aangevuld met interviews waarvan de objectiviteit zeer twijfelachtig is. Van een onafhankelijke tussenevaluatie door CHEPS is volgens PNN geen sprake, wat een schending zou zijn van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit. Bovendien kunnen vraagtekens gezet worden bij de uitvoering van het experiment door de RUG. Een experiment vraagt om onafhankelijkheid en objectiviteit. PNN meent dat deze basisvoorwaarden geschonden zijn. Er is geen sprake van een experiment als de uitkomsten daarvan op voorhand vaststaan door actieve beïnvloeding en pogingen onwelgevallige geluiden te onderdrukken.

Promovendi Netwerk Nederland feliciteert één-na-oudste promovenda (76) met het behalen van haar doctorstitel

Mevr. Ch.W.M. Schunck – rechts op de foto – tijdens haar verdediging (foto: PNN)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) was gisteren aanwezig bij de verdediging van Christine W.M. Schunck in de Aula van de Radboud Universiteit (Nijmegen). Schunck promoveerde op een proefschrift over de kerkgeschiedenis van Curaçao met als titel Intolerante tolerantie. De geschiedenis van de katholieke missionering op Curaçao 1499-1776.

Schunck startte haar promotietraject in 1986, maar haar onderzoek liep om zowel persoonlijke als academische redenen diverse keren vertraging op. Tijdens het verdedigen van haar proefschrift was Schunck 76,5 jaar oud. Met haar hoge leeftijd is Schunck vermoedelijk de één-na-oudste promovenda in Nederland die haar dissertatie in het openbaar verdedigde. Mannelijke promovendi op leeftijd zijn er meer; de oudste man die ooit een proefschrift afrondde was de 92-jarige classicus Han Douwes.

Namens PNN overhandigde vicevoorzitter Martijn Stoutjesdijk de kersverse doctor een bos bloemen. “Wij vinden het mooi om te zien hoe ook een onderzoekster op leeftijd nog een belangrijke bijdrage kan leven aan het wetenschappelijk debat,” aldus Stoutjesdijk. “Het was een genoegen om te zien hoe mevrouw Schunck met grote kennis van zaken én met humor haar proefschrift verdedigde.”

Monitor Arbeidsvoorwaarden Promovendi: minder transparantie en ruim 10% dubieuze contracten

Deze morgen presenteerde het Promovendi Netwerk Nederland op NPO Radio 1 de resultaten van een grootschalig onderzoek naar de arbeidsvoorwaarden van PhD contracten in 2017-2018. In 2017 nam het aantal dubieuze contracten, met te weinig onderzoekstijd voor de promovendus, verder toe tot 15%. In 2018 nam dit percentage iets af, maar tegelijkertijd verdubbelde het aandeel vacatures waarin de onderzoekstijd onduidelijk bleef. Dit is zorgwekkend omdat in 2018 in de cao voor universiteiten is vastgelegd dat PhD contracten in principe minimaal vier jaar (fulltime) dienen te zijn.


In 2017 nam het aandeel dubieuze PhD contracten (met te weinig onderzoekstijd) toe tot 15 % (14,2% in 2016, 10,1% in 2015). Dat blijkt uit de Monitor Arbeidsvoorwaarden die het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) voor de derde keer uitvoerde. In 2018 is voor het eerst een daling te zien naar 11,2%. In 2018 zijn universiteiten en umc’s echter wel beduidend minder transparant. Ten opzichte van 2017 is er bijna een verdubbeling van het aantal vacatures die de lengte van een PhD contract niet noemen. Dit is zorgwekkend, te meer omdat in 2018 de cao-nu voor het eerst een bepaling bevat die voorschrijft dat PhD contracten ‘in beginsel vier jaar fulltime’ zijn. Deze bepaling heeft mogelijk een averechts effect gehad: in plaats van meer eerlijke contracten lijkt de transparantie af te nemen. PNN pleit daarom voor meer transparantie zodat er op kan worden toegezien dat de vier-jaren norm uit de cao ook daadwerkelijk in de praktijk gebracht wordt.

Meer korte contracten

Een andere verontrustende ontwikkeling is de toename van contracten die voor twee jaar of minder worden geadverteerd. Een aanzienlijk deel van deze contracten bestaat uit zogenaamde PDEng contracten, waarbij aan technische universiteiten deelnemers worden voorbereid op een baan in het bedrijfsleven. PNN vindt het zorgelijk dat dergelijke trajecten geadverteerd worden als “on par with a PhD program”, zoals te lezen valt op universitaire websites. PDEng en PhD zijn verschillende graden. We pleiten er dan ook voor deze uit elkaar te houden, om uitholling van het promotiesysteem tegen te gaan.

Positief is de duidelijke toename van vacatures die melding maakt van eventuele onderwijsverplichtingen tijdens de promotieaanstelling: van 8,2% in 2015 naar 20% in 2018. Dit is een positieve ontwikkeling, maar het blijft om een minderheid van de vacatures gaan. Bovendien blijft de onderwijslast onduidelijk in bijna tweederde van de vacatures waar iets wordt gezegd over onderwijsverplichtingen. Ook hier is dus sprake van een gebrek aan transparantie. PNN onderzoekt deze parameter, omdat bekend is dat onzekerheid over arbeidsvoorwaarden een factor is die de kans op mentale problemen verhoogt.

Data

Voor haar Monitor maakte PNN gebruik van vacaturedata van AcademicTransfer, de grootste wetenschappelijke vacaturewebsite van Nederland.

PNN deed eerder onderzoek naar arbeidsvoorwaarden van promovendi in 2015 en 2016. Beide onderzoeken zijn terug te vinden op deze pagina.

De monitor Arbeidsvoorwaarden 2017-2018 vindt u hier: PNN arbeidsvoorwaarden monitor 2017-2018.

PNN organiseert eerste voorlichtingsbijeenkomst over arbeidsvoorwaarden

Het Promovendi Netwerk Nederland gaat promovendi actief voorlichten over hun rechten. Promovendi blijken daar namelijk vaak onvoldoende van op de hoogte te zijn, en dat zorgt voor misstanden en mentale problemen. Betere voorlichting is een belangrijke eerste stap om die te voorkomen. Op vrijdag 22 februari organiseert PNN daarom, samen met de VAWO en de Wageningen PhD Council, op Wageningen University een eerste voorlichtingsbijeenkomst over arbeidsrechten voor promovendi. Op het programma staan onderwerpen als zwangerschaps- en ouderschapsverlof, de verhouding onderzoek – andere taken en de transitievergoeding. Na Wageningen volgen dit jaar ook de andere universiteiten.

Promovendi Netwerk Nederland

Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) zet zich al decennia op landelijk niveau in voor de belangen van promovendi. Eerlijke contracten zijn een speerpunt voor PNN. Zo brengt PNN jaarlijks de Monitor Arbeidsvoorwaarden uit, waarin PhD contracten in Nederland onder de loep worden genomen. Daarnaast verzet PNN zich al lange tijd actief tegen het experiment met studentpromovendi. Daar komt dus vanaf dit jaar actieve voorlichting over promovendirechten bij.

Voorlichting

Voorlichting over rechten van promovendi is belangrijk ter voorkoming van misstanden in de sector. Daarnaast blijkt uit onderzoek van het CWTS (2017) onder Leidse promovendi dat de kans op mentale problemen toeneemt wanneer “niet duidelijk is aan welke eisen moet worden voldaan” in een promotietraject (p. 13). Hierbij gaat het onder andere om onduidelijkheid over de hoeveelheid publicaties, de verhouding onderzoek – onderwijs, en de kans op een academische vervolgcarrière. PNN krijgt bovendien signalen van promovendi die in conflict komen met hun universiteit over zwangerschaps- of ouderschapsverlof of parttime werken. PNN agendeert deze problemen op landelijk niveau, wat geleid heeft tot belangrijke verbeteringen in de nieuwe CAO, maar wil promovendi ook zelf meer gereedschappen geven om problemen te signaleren en aan te pakken. In de praktijk blijken namelijk lang niet alle promovendi te weten waar ze recht op hebben. Dat speelt in het bijzonder bij de vele internationale promovendi die de Nederlandse taal niet machtig zijn.

Nieuwe cao, nieuwe rechten

De nieuwste cao-NU, die afgelopen zomer inging, biedt een mooi uitgangspunt om promovendi te informeren over hun arbeidsrechten. In deze cao is namelijk een aantal belangrijke verbeterpunten opgenomen met betrekking tot de positie van promovendi (zie ons bericht hier). Zo is voor het eerst vastgelegd dat een promotiecontract in beginsel vier jaar fulltime moet zijn, is er duidelijkheid geschapen over verlenging van het contract bij ouderschapsverlof en is de mogelijkheid tot een stage tijdens het promotietraject vastgelegd. PNN gaat promovendi hierover informeren zodat deze rechten ook in de praktijk gebracht gaan worden. PNN werkt hierbij nauw samen met de VAWO, de vakbond voor de wetenschap, en de lokale promovendi-overleggen.

De aftrap is vandaag aan de Wageningen University, waarna bijeenkomsten op andere universiteiten zullen volgen. Daarnaast wordt hard gewerkt aan een ‘know your rights’ leaflet, waardoor alle promovendi voortaan bij aanvang van het proefschrifttraject geïnformeerd worden over hun rechten. PNN hoopt hierbij op de medewerking van universiteiten. Voor een gezond promotieklimaat zijn eerlijke contracten van essentieel belang. Het vergroten van de kennis van promovendi over hun rechten is daarbij een eerste stap.

PNN Statement about the implementation of Plan S

Involve and support PhD candidates and early career researchers in the implementation of Plan S

Plan S

On the 8th of septebmer 2018, Plan S was presented by cOAlition S. The initiative strives to establish direct and complete Open Access of scientific publications from January 2020 onwards. It encompasses all publications that are the result of research funded by the members of cOAlition S, including the Dutch NWO and ERC. At its core are 10 principles currently being developed into a set of implementation guidelines.

As representatives of all PhD candidates in the Netherlands, we like to respond and contribute to the debate surrounding the implementation of Plan S. In general, as young researchers, we support the ambitions of Plan S. We fully endorse the joint statement on the implementation by the European representation (Eurodoc, MCAA and YAE), to which PNN also contributed. In this statement, a number of specific proposals are made regarding the implementation of Plan S. We call upon NWO and the other members of cOAlition S to integrate these proposals in the implementation of Plan S, as well as in future debates and initiatives within cOAlition S.

In addition to this joint statement, we would like to address the members of cOAlition S, in particular also the Dutch members, with an important call: make sure that PhD candidates and early career researchers are better informed, supported and involved in the ongoing transition to open science in general, and the implementation of Plan S especially. Below we iterate 4 key concerns we would like the members of cOAlition S to consider while moving forward with Plan S.

  1. Modernizing the evaluation and rewarding of researchers

One of the major concerns for early career researchers on Plan S is the potential disruption for their scientific career. For many research areas most of the ‘high-impact’ journals are currently not Plan S-compliant. However, in the current academic system, publishing a ‘high-impact’ paper is key to advancing ones scientific career, especially for early career researchers. Since Plan S will make publishing in such ‘high-impact’ journals more difficult, the scientific community will have to shift towards an alternative way of evaluating and rewarding scientists.

PNN supports the statement of (the Dutch) NWO and ZonMW on actively debating and pursuing a new system to evaluate and reward scientists. A clear, specific and rapid completion of this transition will be crucial to address any potential career disruptions and concerns for PhD candidates and early career researchers. It should be made clear how open access benefits young researchers, for example when it comes to awarding grant applications. A ‘lost generation’ of young researchers should be prevented: a generation who under the current reward system would not be rewarded for complying with Plan S, but rather suffer negative career consequences. In our opinion, the emergence of such a lost generation would harm the transition to open access by eroding the support among young researchers.

We call upon cOAlition S, and in particular NWO and ZonMW, to provide clarity on this topic as soon as possible. We explicitly call for the involvement of PhD candidates and early career researchers in the design of a new evaluation system which rewards open access. Signing the San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA) would be an important step in this transition. The shift towards a new reward system should take into consideration two key points: 1) avoiding a ‘lost generation’ as stated previously and 2) providing a level playing field and equal opportunities for researchers who do not fall under Plan S to also publish in Open Access journals through ensuring adequate funding.

  1. Involve PhD candidates and early career researchers more actively in the debate

Plan S accelerates the transition to Open Access publishing. This provides both opportunities as well as challenges for early career researchers. We feel that this group is not always represented and involved in the debate surrounding Plan S. If Plan S and the transition to open science is to be a success, engaging and involving young researchers is crucial. PNN represents the interests of PhD candidates in the Netherlands and as such invites NWO and ZonMW as a member of cOAlition S to involve the voice of young researchers more explicitly in the implementation of Plan S.

  1. Lack of Open Access Infrastructure: ‘One size fits all’?

As mentioned by other parties, Plan S does not distinguish between differences in publication cultures across the various scientific fields. PNN is especially worried about young researchers in fields that are still lagging behind when it comes to open access infrastructure, lacking peer-reviewed open access journals. In this regard, Plan S is sometimes ahead of scientific practice. For example, in the field of law, articles are often published in national journals who do not have clear guidelines on open access at all.

We ask NWO and members of cOAlition S to collaborate with junior and senior scientists to make a thorough analysis of the various scientific fields in order to detect and tackle potential practical problems upfront. Where (peer-reviewed) open access publishing opportunities are indeed lacking, this should not be made the responsibility of individual researchers. Where this is the case, alternatives publication methods should be offered to make sure that all researchers can still publish under Plan S. Potential practical problems and solutions should be identified and communicated to researchers in advance.

  1. Financial support

The implementation guidelines contain important features that make open access publishing better achievable for young researchers. Of particular importance to PhD candidates is the financial support by the members of cOAlition S to cover the APCs (‘article processing charges’) so as not to financially burden researchers themselves. We would like to stress that tall publishing fees should be covered fully under Plan S. If such fees would exhaust the already small research budgets of many departments, young PhD candidates will often be the first to be affected.

Finally, we would like to propose an addition to Plan S and ask the Dutch members of cOAlition S in particular to consider to provide also for funding for open access publishing for researchers who do not fall under Plan S. Independent financial support for open access is not always present at universities, making it difficult for PhD candidates to engage in open access publishing due to limited financial support. Although Plan S is an important first step towards open access publishing, extending means and support beyond Plan S for all researcher would help further accelerate the transition to open access, thereby also potentially contributing to more appreciation of the ambitions of Plan S within the research community at large.

Questions or comments can be sent to rob.vangassel@hetpnn.nl or (for press) anne.devries@hetpnn.nl