Verscherp controle op begeleiding promovendi

13 april 2017 – Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) roept samen met de vertegenwoordiging van promovendi aan Tilburg University (TiPP) op tot het verscherpen van controle op de kwaliteit van promovendibegeleiding.

Naar aanleiding van de onthullingen van radioprogramma Argos werd bekend dat een Tilburgse hoogleraar begeleidingswerkzaamheden zou hebben uitbesteed aan een schoonheidssalon en een consultancy-bedrijf. Tilburg University heeft aangifte gedaan tegen deze hoogleraar op basis van ernstige vermoedens van financiële fraude. De wetenschappelijke commissie die naar aanleiding van de vermoedens van financiële fraude door Tilburg University werd aangesteld, concludeert dat er sprake is van wat tegenwoordig een ‘questionable research practice’ wordt genoemd. Het PNN en TiPP willen de aandacht vestigen op zulke praktijken. Het spreekt voor zich dat wetenschappelijk onderzoek uitmondend in een promotie primair onder begeleiding van universitaire medewerkers geschied en niet onder de begeleiding van niet-academische derden. PNN-voorzitter Rolf van Wegberg: “Het is cruciaal dat universiteiten adequaat toezicht houden op de kwaliteit van de promovendibegeleiding en hoogleraren in hun rol als begeleiders ondersteunen. Door deze vermeende uitbestede begeleidingswerkzaamheden zien wij ons genoodzaakt de oproep te doen om de kwaliteit van promovendibegeleiding beter te borgen.”

PNN en TiPP zijn blij dat Tilburg University nu het voortouw neemt in het verbeteren van promovendibegeleiding. “Het bestuur van Tilburg University heeft de afgelopen jaren laten zien de wensen en problemen van promovendi zeer serieus te nemen,” stelt Martijn Stoutjesdijk van TiPP. “Daarom willen wij graag samen met het universiteitsbestuur problemen met promovendibegeleiding in kaart brengen. In een instituut waar onderzoek centraal staat, hebben we ook de plicht ons eigen functioneren te onderzoeken.”

De Vereniging Nederlandse Universiteiten (VSNU) is door het PNN verzocht deze thematiek scherp te blijven volgen en universiteiten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid haar medewerkers adequaat en eigenhandig te begeleiden.