CAO
De meeste promovendi zijn in dienst van de 14 Nederlandse Universiteiten en vallen zodoende onder de CAO NU. Daarnaast is een substantieel deel van promovendi werkzaam aan de 8 Universitaire Medische Centra en zodoende zijn voor hen de bepalingen in de CAO UMC geldend. Als laatste werken er ook promovendi bij andere onderzoeksinstellingen, zoals Centrum voor Wiskunde (CWI), Stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM), De Koninklijke Bibliotheek (KB), en het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (Kon. NIOZ), waarbij als leidraad de CAO OI wordt gebruikt. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) valt ook onder de CAO OI. Ondanks dat dit de drie grootste CAO’s zijn waaronder promovendi vallen, is het niet uitgesloten dat sommige promovendi werkzaam bij andere dan bovenstaande werkgevers in dienst zijn. Het is daarom erg belangrijk om voor het tekenen van je arbeidscontract de CAO door te nemen en dan voornamelijk de artikelen die gaan over promovendi, assistenten in opleiding, of onderzoekers in opleiding. Hieronder geeft het PNN de belangrijkste zaken weer rondom de drie CAO’s en geeft zij een aantal aanbevelingen voor promovendi. Hierbij is een kleine disclaimer wel op zijn plaats want aan onze beschrijving van de CAO kunnen geen rechten worden ontleend. De beschrijvingen zijn vooral bedoeld ter informatie en illustratie. De CAOs zijn door werkgever- en werknemerorganisaties afgesloten en de beschrijving hieronder is de interpretatie van het PNN. Het is vooral bedoeld om je te helpen in je onderhandeling voordat je je contract afsluit en je te wijzen op zaken die belangrijk kunnen zijn in je verdere carrière als promovendus, junior onderzoeker, of onderzoeker in opleiding. Informeer altijd bij je personeelsfunctionaris en je vakbond op het moment dat je ergens informatie over wilt hebben of onduidelijkheden uit de CAO opgehelderd wilt zien. Je kunt hiervoor ook altijd contact met het PNN of lokale promovendi-overleggen opnemen.
Direct naar de tekst over de CAO UMC of de tekst over de CAO OI
CAO NU
Naast de 14 Nederlandse Universiteiten is deze CAO van toepassing op werknemers en instellingen waarbij een convenant is gesloten tussen de instelling en de werknemersorganisaties, tenzij het convenant tussentijds wordt opgezegd. Op 1 september 2007 is een convenant gesloten met de volgende instellingen:
- International Institute for Infrastructural Hydraulic and Environmental Engineering (IHE) te Delft;
- Institute of Social Studies (ISS) te ‘s-Gravenhage;
- International Institute for Geo-Information Science and Earth Observation (ITC) te Enschede;
- Afrika-Studiecentrum (ASC) te Leiden;
- Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten (NINO) te Leiden;
- Universiteit voor Humanistiek (UVH) te Utrecht;
- Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic) te ’s-Gravenhage;
- Protestants Theologische Universiteit (PThU) te Kampen;
- Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) te Amsterdam, alsmede de Fryske Akademy te Leeuwarden;
- Platform Opleiding, Onderwijs en Organisatie BV (PLATO) te Leiden;
- Roosevelt Academy te Middelburg.
De vingerende CAO NU loopt van 1 september 2007 tot 1 maart 2010. Artikel 1.5 lid 2 stelt dat iedere werknemer die een dienstverband van langer dan 6 maanden aangaat met de universiteit een exemplaar van de CAO ontvangt. Zorg dus ook dat je die krijgt! Daarnaast hebben de vakbonden en de universiteiten ook afgesproken te goeder trouw en naar letter en geest de verplichtingen van de CAO na te komen. Wanneer er twijfel of onduidelijkheid ontstaat over de precieze inhoud of strekking van de CAO, vertrouw dan niet altijd op je personeelsfunctionaris, maar neem vooral contact op met je vakbond om te informeren hoe de letter of de geest van een bepaalde regeling uitgelegd dient te worden, zoals het ouderschapsverlof. Want zowel de universiteit als de promovendus dient zich te gedragen als goede werkgever respectievelijk goede werknemer (Artikel 1.8). Bijvoorbeeld, wanneer je nevenwerkzaamheden, zoals bestuursfuncties bij promovendi-overleggen, gaat vervullen of al vervuld voordat je in dienst treed, dien je die vooraf te melden aan je leidinggevende (Artikel 1.14). Spreek bij het begin van je promotietraject dan ook altijd goed door met jouw begeleider(s), promotor(es), en eventueel P&O wat je van hen verwacht en wat ze van jou verwachten en hoe die verwachtingen vorm krijgen en uitgewerkt dienen te worden.
Niet geheel onwaarschijnlijk is het feit dat onderzoek kan leiden tot een octrooieerbare uitvinding of tot het winnen van een ras waar kwekersrecht op kan worden verkregen. De promovendus is verplicht om dit te melden aan de universiteit. Paragraaf 3 van de CAO is hierop van toepassing. De uitvinder of kweker moet hiervoor overigens wel een “billijke vergoeding” krijgen (Artikel 1.23 lid 1). Wat deze billijke vergoeding is zal onderling uitgemaakt moeten worden.
Naast Hoofdstuk 6 (Personeelsbeleid) waarin staat de universiteiten in hun sollicitatieprocedure handelen conform de code van de Nederlandse Vereniging voor Personeelsbeleid (Artikel 6.1) is Hoofdstuk 2 essentieel in de CAO. Hoofdstuk 2 behandelt het aangaan van een dienstverband. Voor promovendi is Artikel 2.3 van belang. Met name lid 3 is van belang omdat deze de aanstelling van een promovendus of promovenda beschrijft. Er kan in overleg besloten worden tot het aangaan van een dienstverband voor de beoogde duur van het promotietraject (meestal 4 jaar) of er kan besloten worden voor een éénmalig dienstverband van maximaal 18 maanden om de geschiktheid van de promovendus of promovenda te beoordelen die vervolgens bij gebleken geschiktheid wordt opgevolgd door een dienstverband dat de totale duur op (meestal) 4 jaar brengt. Het PNN adviseert aan promovendi om een éénmalig dienstverband van 18 maanden aan te gaan met de universiteit, waarbij er voldoende tijd is om een gedegen onderzoeksvoorstel of –protocol te schrijven in samenspraak met de begeleider(s)/promotor(es) en die te laten beoordelen door een externe (wetenschaps)commissie. Dit zorgt voor een formeel beoordelingsmoment waar beide partijen, promovendus en universiteit, elkaar kunnen wegen en hernieuwde afspraken kunnen maken voor de toekomst. Deze beoordeling door een externe commissie draagt ook bij aan de checks and balances die noodzakelijk zijn om het promotietraject realistisch te laten zijn en vlot te laten verlopen.
Ondanks het feit dat voor een promovendus dienstverband geen beperkingen aan de duur en het aantal opvolgende dienstverbanden gelden (Artikel 2.3 lid 8), blijken verlengingen van het dienstverband in de praktijk niet vanzelfsprekend te zijn. Expliciet is voor promovendi geregeld dat het dienstverband van promovendi op hun verzoek met de duur van het genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt verlengd (Artikel 2.3 lid 6). Promovendi moeten dit dus wel expliciet vragen aan de universiteit, maar dit kan niet geweigerd worden (tenzij zwaarwegende bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten; dit moet dan wel heel goed beargumenteerd worden door de universiteit). Meestal is de lokale personeelsfunctionaris hiervoor de aangewezen persoon om het verzoek aan te richten. Daarnaast gelden er een aantal andere situaties waarin tot verlenging van het dienstverband kan worden besloten (Artikel 2.3 lid 5 en lid 6 sub b). Hieronder worden in ieder geval de volgende situaties beschouwd: (a) de duur van ziekte indien er sprake is van een aaneengesloten periode van ziekte van minimaal 8 weken; (b) de omvang van het genoten ouderschapsverlof; en (c) de duur van het uitvoeren van een door het College van Bestuur erkende bestuursfunctie. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het lidmaatschap van een medezeggenschapsorgaan binnen de universiteit en bestuursactiviteiten bij een van de bij het CAO-overleg betrokken werknemersorganisaties, of een daarbij aangesloten vereniging.” Ook hier geldt dat de promovendus het zelf aan moet vragen en dat de werkgever gemotiveerd kan afzien van verlenging. Het PNN is op dit moment druk bezig om te achterhalen of in dit soort situaties geen uniforme richtlijn kan worden ingesteld zodat er toch automatisch een verlenging verkregen wordt. Want rondom ouderschapsverlof bestaat op dit moment nog veel onduidelijkheid. Voor een volgende CAO moet dan ons inziens aangepast worden. Artikelen 4.13 a t/m i regelen de kaders van ouderschapsverlof voor de universiteiten en zijn van toepassing op werknemers die op grond van de Wet Arbeid en Zorg recht hebben op BETAALD ouderschapsverlof van maximaal 13 weken. Hier staat echter niets in over de verlenging van het contract van tijdelijke werknemers met de duur van het genoten ouderschapsverlof. De werkgever KAN dat wel doen, maar is het niet verplicht. Verder kun je op grond van de Wet Arbeid en Zorg boven de 13 weken betaald verlof ook 13 weken onbetaald verlof nemen (Wet Arbeid en Zorg Artikel 6). De Wet Arbeid en Zorg behandelt onder andere ook zwangerschap- en bevallingverlof en de levensloopregeling.
Het salaris (en eventuele toelagen en vergoedingen) wordt maandelijks uiterlijk op de laatste werkdag van de maand uitbetaald (Artikel 3.1). De promovendus krijgt een salaris conform de P-schaal (zie Bijlage A, Tabel 2.3) die per 1 januari 2009 successievelijk € 2.042, € 2.379, € 2.492, en € 2.612 zijn. Verder krijgt een promovendus 8% vakantieuitkering en vanaf 2009 een volledige 13e maand (8,3%) als eindejaarsuitkering. De vakantieuitkering wordt in mei betaald over de periode juni van het voorgaande kalenderjaar tot en met mei (Artikel 3.12 lid 5). De eindejaarsuitkering wordt in december betaald en geldt over de periode januari tot en met december. Bovengenoemde bedragen zijn gebaseerd op een volledige arbeidsduur die 38 uur bedraagt (Artikel 4.1). Als werknemer ben je aangesloten bij pensioenfonds Stichting Pensioenfonds ABP.
Een belangrijke regel is dat iedere promovendus na 12 maanden automatisch van P0 (2.042) naar P1 (2.379) ingeschaald wordt (Artikel 3.10 lid 3). Hier is geen beoordeling voor nodig en zegt dus niets over het functioneren van de promovendus. Elke volgende salarisverhoging vindt alleen plaats na een beoordelingsgesprek (van P1 naar P2, van P2 naar P3). Het PNN adviseert daarom zelf nadrukkelijk zorg te dragen voor een beoordelingsgesprek. Wanneer dit dan toch niet plaatsvindt dan krijgt de promovendus op grond van Artikel 3.10 lid 5 toch de salarisverhoging na 15 maanden (in plaats van de normale 12 maanden).
Het is een universiteit toegestaan om een arbeidsmarkttoelage toe te kennen aan een werknemer en dus ook een promovendus (Artikel 3.14). Dit kan belangrijk zijn om iemand te kunnen werven of te behouden voor de universiteit. Voor promovendi die vanuit een voorgaande baan substantieel meer verdienden dan de € 2.042 kan dit een mogelijkheid zijn om de inkomenderving te compenseren. Het is altijd verstandig om hierover met de universiteit (personeelsfunctionaris of leidinggevende) te praten. Verder heeft elke universiteit een regeling omtrent de vergoeding van onkosten in verband met arbeid (Artikel 3.21). Hier vallen onder ander de reis- en verhuiskosten onder. Daarnaast ook de reis- en verblijfkosten in verband met dienstreizen. Op basis van Artikel 3.22 heeft iedere universiteit een regeling aangaande de vergoeding van kosten voor congresbezoek, het aanschaffen van vakliteratuur en de kosten van studiereizen.
Het aantal verlofuren bedraagt 232 uren in 2009 (Artikel 4.7 lid 1). Als promovendus ben je net als iedere andere werknemer verplicht om een verzoek voor verlof in te dienen bij je leidinggevende en kan niet geweigerd worden tenzij “de belangen van de instelling zich daartegen niet verzetten” (Artikel 4.7 lid 2). Verder kunnen maximaal 5 vakantiedagen opgenomen worden voor religieuze feestdagen (Artikel 4.7 lid 5). Daarnaast kan de universiteit maximaal 7 dagen per jaar aanwijzen als collectieve sluitingsdag, waarbij je als promovendus verplicht bent om die uren als vakantie op te nemen. (Artikel 4.7 lid 6). Artikel 4.7 lid 8 is van groot belang omdat hier aan het einde van het dienstverband veel problemen door ontstaan. De problemen ontstaan doordat promovendi vaak niet alle vakantie-uren in een jaar opmaken. De universiteit geeft dan vaak aan dat de vakantie-uren vervallen, maar dit is niet juist. In Artikel 4.7 lid 8 sub b staat namelijk dat er onderling afspraken gemaakt dienen te worden om ervoor te zorgen dat het vakantietegoed wordt opgenomen. Wanneer hier voor 1 juli van het opvolgende jaar geen afspraken zijn gemaakt dan kan de universiteit een periode van vakantie vaststellen voor de promovendus van maximaal 4 weken. Er kunnen ook aparte afspraken op universitair niveau gemaakt worden tussen de vakbonden en de universiteit. Deze regeling kun je opvragen bij de personeelsdienst. In Artikel 4.9 staan de dagen die jaarlijks als feestdagen gelden.
Hoofdstuk 5 van de CAO NU gaat over het Keuzemodel Arbeidsvoorwaarden. Hierin kan je als promovendus bronnen inzetten voor bepaalde doelen. Bronnen zijn onder andere maximaal 76 vakantie-uren per boekjaar en salaris, waaronder vakantiegeld en eindejaarsuitkering (Artikel 5.3) en doelen zijn onder andere extra vakantie-uren, vakbondscontributie, en extra inkomen (Artikel 5.4). Maximaal 38 vakantie-uren kunnen voor extra inkomen ingezet worden en is aan te raden voor promovendi. Eén verlofuur is 0,704% van het salaris per maand bij een volledige arbeidsduur (Artikel 5.7). Een promovendus kan ook in overleg met zijn/haar leidinggevende kiezen voor een 36-urige of 40-urige werkwerk (Artikel 5.6). Hier worden dan ofwel 96 verlof-uren ingeleverd ofwel 96 verlofuren verkregen. Een 36-urige werkweek kan interessant zijn omdat hiermee bijvoorbeeld 1 vrije dag per 2 weken verkregen kan worden. Het salaris blijft overigens hetzelfde! Informeer altijd naar de mogelijkheden die op de universiteit aanwezig zijn om mee te doen met het keuzemodel. Je hebt recht om hier aan mee te doen en maak hier ook gebruik van. Het kan je namelijk een substantieel financieel voordeel (of extra vrije tijd) opleveren. In Bijlage G komt specifiek mogelijke uitwerkingen van een flexibele werkduur aan de orde. Daarnaast is het ook mogelijk om aan de levensloopregeling mee te doen. Afspraken hierover verschillen per universiteit en zul je dus op moeten vragen bij je vakbond of personeelszaken.
Een belangrijke aspect voor universiteiten is hun personeelsbeleid. Het creeëren van steeds weer nieuwe kennis en toepassingen daarvan vergt het uiterste van het personeelsbeleid in het aantrekken en vasthouden van mensen met verschillende talenten. Hoofdstuk 6 van de CAO gaat nader in op het personeelsbeleid. In de CAO NU wordt expliciet vermeld dat universiteiten in hun werving- en selectiebeleid een stimuleringsbeleid zal voeren gericht op vrouwen, arbeidsgehandicapten, en allochtonen. Elke universiteit heeft in samenspraak met werknemersorganisaties hiervoor een plan van aanpak. Je kunt dit dus ook opvragen bij de personeelsdienst. Ook het jaarlijkse verslag omtrent het gevoerde beleid is op te vragen. Verder is het loopbaanbeleid (Artikel 6.5) er ook op gericht dat iedere werknemer die voor twee jaar of meer in dienst is, waaronder dus ook promovendi, in de gelegenheid worden gesteld om loopbaanadvies in te winnen bij een professionele organisatie. Dit wordt betaald door de universiteit. Het moet op een zodanig tijdstip plaatsvinden dat het ook bruikbaar is voor een individueel begeleidingstraject, dat erop gericht is op het vermeerderen van de kansen op de interne of externe arbeidsmarkt. Onder meer middels loopbaanbeleid proberen de universiteiten ontplooiingsmogelijkheden en carrièreperspectieven van promovendi te bevorderen.
Een belangrijk doch vaak misgevat onderdeel van de CAO is Artikel 6.8. Hierin wordt het opleidings- en begeleidingsplan (OBP) van een promovendus behandelt. Minimaal dient in het OBP vastgelegd te worden (1) welke kennis en vaardigheden dienen te worden verworven en op welke wijze dat dient plaats te vinden, (2) wie begeleider en promotor zijn en wanneer de begeleider niet de promotor is, dat bij aanvang en op alle momenten die beslissend zijn in de voortgang van het promotieonderzoek een gesprek heeft met de promotor, met een minimum van éénmaal per jaar, en (3) de omvang van de tijd van persoonlijk begeleiding van je begeleider in uren per maand waar je als promovendus recht op hebt. Afspraken uit het OBP zijn bindend en dienen nageleefd te worden. Het is vooral belangrijk dat er voldoende tijd besteed wordt aan kwalitatief goede begeleiding. Vooraf is het zeer belangrijk om gezamenlijk te bepalen wat hiaten zijn in je kennis en vaardigheden en welke cursussen of andere trainingen hiervoor gevolgd moeten worden. Praat hierover niet alleen met je begeleider en promotor, maar ook met je collega-promovendi, mensen uit je onderzoeksschool en graduate school, en andere collega’s op de afdeling. Een ander belangrijk element is dat het OBP aan jou als promovendus uitgereikt wordt en dat je dus niet enkel en alleen zelf zo’n OBP schrijft (Artikel 6.8 lid 1).
Hoewel voor promovendi het OBP een belangrijk scholingselement in zich heeft, kan je je als promovendus ook beroepen op Artikel 6.9 van de CAO dat gaat over scholing. Hierin valt te lezen dat het op peil houden van kennis en ervaring van de werknemer om de kansen op de arbeidsmarkt, zowel binnen als buiten de academische sector, te behouden en zo mogelijk te versterken, een gezamenlijk verantwoordelijkheid is van werkgever en werknemer. De universiteit kan je verplichten bepaalde opleiding of studie te volgen, jij hebt recht op scholing en je kunt de universiteit verplichten daarvoor faciliteiten te verlenen. Scholing van zogenoemde transferable skills vallen hier ook onder. Een stage kan een ander voorbeeld zijn.
Je hebt ook recht op een jaarlijks gesprek met je directe leidinggevende (niet persé je promotor of begeleider, vraag dit even na) over je functionering in het afgelopen jaar en de plannen voor het aankomend jaar (Artikel 6.6). Dit gesprek is een tweezijdig gesprek, je wordt niet beoordeeld maar je evalueert samen wat er goed ging, wat beter had gekund en waar je als promovendus wilt dat je begeleider(s) zich verbeteren, etc. Zorg ervoor dat je van te voren hierover goed hebt nagedacht. Wat zijn de gezamenlijke doelen, wat wil je graag bereiken, op welke manier en wees vooral uitgesproken en eerlijk daarover en leg dat vast in een ondertekend document. Naast het tweezijdige jaargesprek krijg je ook nog een beoordelingsgesprek (Artikel 6.7). Dit is een gesprek waarin jij door je leidinggevende te horen krijgt hoe ze jouw functioneren beoordelen en wat jouw leidinggevende vindt dat goed gaat en wat verbeterd kan worden. Hierin moet in ieder geval ook duidelijk worden of jij een periodieke salarisverhoging krijgt. Je beoordeling en het verslag dien je voor gezien te tekenen.
Sneller dan je denkt is je promotietraject ook weer voorbij. Of je nu wel of niet klaar bent, drie maanden voordat je contract afloopt moet je van de universiteit schriftelijk bericht krijgen dat je contract per gegeven datum afloopt (Artikel 8.3). Hierin dient vermeld te staan dat jij, om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de (Bovenwettelijke) Werkeloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten ((B)WNU), verplicht bent om uiterlijk de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid bij het uitvoeringsorgaan (UWV) aangifte te doen van de werkloosheid en binnen drie weken na het intreden van werkloosheid een aanvraag om een uitkering in te dienen, onverminderd het overigens in de WW en (B)WNU ten aanzien van verplichtingen van jou bepaalde (Artikel 8.1 lid 4). Hoewel dit natuurlijk allemaal erg formeel is, adviseert het PNN je om richting het einde van je contract eens goed te kijken of je binnen je contractstermijn je dissertatie kunt afronden of dat je eventueel meer tijd nodig hebt. Wij zijn van mening dat het tijdig afronden van je proefschrift een gezamenlijk verantwoordelijkheid is van de promovendus als de universiteit (i.c., de begeleider(es) en promotor(es)). Schroom dan ook niet om tegen het einde van je contract te praten over een korte verlenging van je contract om je proefschrift definitief af te ronden. Want vergeet niet, de gemiddelde duur van een promotietraject ligt op 5 jaar. Veel succes met je arbeidsvoorwaardengesprek en de start van je promotietraject.
In de Bijlagen komt verder nog aan bod de precieze financiële arbeidsvoorwaarden, zoals je salaris, je pensioenpremies, etc. Voorts heeft iedere universiteit heeft een gedragscode ter voorkoming en bestrijding van ongewenst gedrag, waaronder onder andere (seksuele) intimidatie, agressie, geweld en discriminatie wordt verstaan. Daarnaast zijn er ook vertrouwenspersonen voor promovendi op de universiteiten. Informeer hiervoor altijd even bij de lokale promovendivertegenwoordigers.
CAO UMC
De huidige CAO UMC loopt van 1 januari 2008 tot 1 maart 2011. Hoewel er een veelvoud aan vormen en dienstverbanden waarbinnen werknemers van een UMC kunnen promoveren – de meest voorkomende zijn arts-onderzoekers en onderzoekers in opleiding (OIO’s) – zullen wij ons beperken tot het bespreken van de voor OIO’s relevante CAO artikelen. OIO’s komen het meeste overeen met de universitaire promovendus, terwijl arts-onderzoekers vanuit hun artsen dienstverband promoveren.
Hoofdstuk 17 bevat de bepalingen voor onderzoekers in opleiding. Hierin staat te lezen dat Artikelen 4.2 en 4.3 niet van toepassing zijn op onderzoekers in opleiding. De salarisschaal onderzoekers in opleiding in Bijlage D is van toepassing. Per 1 maart 2009 gelden daarvoor de volgende salarissen die je per maand krijgt uitbetaald (Artikel 4.1): Iemand die net begint en in zijn/haar eerste jaar zit ontvangt per maand 2.046 euro, om daarna in drie stappen door te groeien van 2.388 euro, naar 2.501 euro, om te eindigen op 2.622 euro. Deze verhogingen worden telkens na 12 maanden verhoogd indien er een positief oordeel is geveld door de werkgever over het doorlopen van het promotietraject en het naar behoren vervullen van de functie (Artikel 17.3). Zorg dus ook dat zo’n beoordelingsgesprek voor die 12e maand plaatsvindt. Er kan ook in onderling overleg besloten worden dat je een arbeidsmarkttoelage of bindingspremie ontvangt (Artikelen 4.8.1 en 4.8.2). Vragen kan altijd, nee heb je, ja kun je krijgen. Daarnaast krijg je ook 8% vakantiegeld (in mei) en in 2009 6,75% eindejaarsuitkering, wat in 2010 een volledig 13e maand zal zijn (8,3%).
Aangezien de onderzoeker in opleiding dus ook een opleiding volgt, bepaald de Raad van Bestuur de organisatie en structuur van de opleiding binnen het UMC (Artikel 17.4). Aangezien dit op schrift moet staan is het van belang om van te voren dit door te nemen en in te zien. Een leuke bonus ligt in het verschiet (Artikel 17.4.4) voor OIO’s die binnen hun aanstellingtermijn succesvol promoveren. Die 750 euro bruto kan eventueel ook als netto onkostenvergoeding (voor bijvoorbeeld het drukken van je proefschrift o.i.d.) uitgekeerd worden. Dat is natuurlijk veel voordeliger dus zorg ervoor dat je het zo regelt. Je dienstverband eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de opleiding ingevolge de terzake van die opleiding geldende regels eindigt (Artikel 17.5). Een belangrijk element van Artikel 17.5 is dat wanneer je als onderzoeker in opleiding binnen de geldende regels promoveert, je het UMC een verzoek kunt doen om de mogelijkheid te onderzoeken om je binnen het UMC te herplaatsen in een passende andere functie. Hier moet je wel zelf om vragen! Voor zover de bijzondere bepalingen. Nu over tot de rest van de CAO UMC.
Hoofdstuk 2 gaat over werving en selectie en over het begin van je dienstverband bij het UMC. De Sollicitatiecode van de Nederlandse Vereniging voor Personeelsbeleid (NVP) is bij de UMC van toepassing. Met instemming van de ondernemingsraad (OR) kan een UMC een eigen code vaststellen, maar hierin moeten minimaal de rechten zoals in de NVP code is vastgelegd opgenomen worden. Informeer of het UMC zo’n eigen code heeft. Verder heb je als sollicitant recht op vergoeding van gemaakte reiskosten alsmede van overige redelijkerwijs gemaakte kosten (bewaar je treinkaartjes dus goed) (Artikel 2.1). De onderzoeker in opleiding krijgt een dienstverband voor bepaalde tijd (Artikel 2.4.4) waarbij geen ruimte is voor een proeftijd behalve bij het VUmc en UMC St. Radboud (maximaal 2 maanden)*. Je zou dus eigenlijk meteen een contract voor het hele traject moeten krijgen. Wanneer een UMC je dus probeert jaarlijkse contracten aan te bieden onder de noemer van opleiding (Artikel 2.4.4) met het doel op een promotie dan zou je hier niet mee akkoord moeten gaan. De onzekerheid die hieruit voortkomt is vele malen schadelijker dan de winst die je behaalt door te denken dat als je maar eenmaal in dienst bent je ook wel weer een tweede jaar in dienst zult komen. Een promotieonderzoek kan domweg niet in één jaar gestopt worden. Dus wanneer er een intentie is om te promoveren van zowel werknemer (jij) als werkgever dan moet je zorgen dat hierover nette afspraken over gemaakt worden. De dienstverbanden als onderzoeker in opleiding tellen niet mee in het aantal en duur van opéénvolgende contracten en er kan zodoende ook niet een dienstverband voor onbepaalde tijd uit ontstaan. Zorg ervoor dat je vóór je begint met werken aan een UMC een schriftelijke vastlegging van je dienstverband krijgt toegestuurd tezamen met de CAO UMC (Artikel 2.7).
Hoofdstuk 3 behandelt aspecten van loopbaanontwikkeling en de scholing die daarbij komt kijken en het functioneren van werknemers en hoe dat beoordeeld wordt. Als OIO heb je recht om je zo te ontwikkelen en te scholen dat je in staat bent je functie adequaat uit te oefenen (Artikel 3.1). De kosten en tijd die je hiermee kwijt bent zijn voor rekening van het UMC. Verder heb je ook recht op scholing en opleiding voor het uitoefenen van een andere (toekomstige) functie wanneer dat past in je loopbaanvooruitzicht en je daarover afspraken maakt binnen een jaargesprek. Kosten en tijd zijn in principe voor de helft voor eigen rekening, maar je kunt heel goed afspraken hierover maken dat de werkgever alles betaald. Zorg dat je zulke afspraken maakt en leg ze vast! Artikel 3.1.1 definieert de kosten die betaald worden, waar onder curus-, les-, of schoolgelden, reiskosten, examenkosten, etc. Hoewel je als OIO vaak binnen een landelijke onderzoeksschool of lokale graduate school opleidingen krijgt aangeboden en kunt volgen waarbij je geen kosten hoeft te betalen, is het dus ook mogelijk om voor jezelf, je onderzoek, of je vervolgcarrière belangrijke scholing te volgen. Er gelden in de CAO echter wel voorwaarden voor de vergoeding (Artikel 3.1.2). Zo moet je een “begroting” indienen met geschatte kosten en je moet een terugbetalingsverklaring tekenen (zie Artikel 3.1.3). Ook hier geldt weer, maak hierover goede afspraken en als je in je eerste twee jaar zulke opleidingen volgt dan heb je met het terugbetalen na 4 jaar niets te maken.
Verder heeft iedere werknemer van een UMC een persoonlijk budget tot zijn beschikking. Dit was over het jaar 2008 een maandelijkse opbouw van 0,25% van het genoten salaris. In 2009 is dit 0,5% en in 2010 1%. Mocht je deelnemen aan de levensloopregeling of een regeling zoals in bedoeld in Artikel 18.3 van de CAO dan wordt dit bedrag ook meegenomen in de berekening. Dit budget wordt in prinicpe aangewend voor uitgaven ten behoeve van ontwikkeling in 2010 (Artikel 3.2.2). Stel dat je in 2008 bent begonnen dan loopt dit persoonlijk budget op tot zo’n 500 euro in 2010. Dit bedrag komt bovenop de eerder geschetste opleidingskosten. Het is dus een extraatje wat je in mag zetten voor je eigen ontwikkeling. Je kunt dit bijvoorbeeld inzetten voor loopbaanadvies. Echter, loopbaanadvies (Artikel 3.5) kun je ook verkrijgen bij een door de WERKGEVER aan te wijzen INTERNE deskundige (?!?). Als wordt besloten een externe deskundige in te schakelen gebeurt dit in overleg met de medewerker. Het PNN adviseert om altijd te kijken of je bij een externe organisatie loopbaanadvies kunt krijgen.
Eens per jaar voer je met je direct leidinggevende (niet altijd je promotor of begeleider, dus vraag dit even goed na) een gesprek over de inhoud en de ontwikkeling van de arbeidsverhouding (Artikel 3.6.1). Het doel is om voorgaande afspraken te evalueren en nieuwe afspraken te maken voor het komende jaar. Wellicht heeft jouw UMC extra regels omtrent het voeren van jaargesprekken en informeer hierover bij je personeelsdienst. Enkel met jouw goedkeuring en na overleg met jou kan er een andere functionaris geheel of gedeeltelijk aan het gesprek deelnemen. Artikel 3.6.1.1 noemt de onderwerpen die in het jaargesprek aan de orde moeten komen, namelijk:
het werkresultaat en het functioneren van de medewerker in het voorafgaande jaar en de verwachtingen voor het komende jaar;
- de persoonlijke ontwikkeling van de medewerker en de wijze waarop de functiewordt ingevuld, in het bijzonder ten aanzien van bekwaamheden, initiatief, communicatie, resultaatgericht werken, opstelling, opleiding, loopbaanperspectief en indien de leidinggevende of de medewerker dat wenst de planmatige aanpak van de persoonlijke ontwikkeling. Hierbij wordt tevens de aanwending van het persoonlijk budget voor ontwikkeling en extra persoonlijk budget ten behoeve van duurzame inzetbaarheid betrokken. Ook de uitkomst van het loopbaanadvies als bedoeld in artikel 3.5 kan hierbij worden betrokken;
- de arbeidsduur, verzoeken om gebruik te maken van het recht in deeltijd te werken en de werktijden van de medewerker;
- de beloning van de medewerker in relatie tot zijn werkinzet en resultaten;
- de arbeidsomstandigheden en het werkklimaat;
- het ondersteunen door en functioneren van de leidinggevende;
- nevenwerkzaamheden waarvoor toestemming nodig is op basis van artikel 9.3 (nevenwerkzaamheden).
Hierbij kunnen beide gesprekspartners nog andere zaken aandragen, maar zorg ervoor dat bovenstaande zaken in ieder geval aan bod komen! Artikel 3.6.1.3 gaat over de verslaglegging en planning en geeft aan dat je altijd een verslag en afspraken die zijn gemaakt voor akkoord dient te ondertekenen, tenzij jullie geen overeenstemming hebben bereikt dan namelijk alleen voor gezien. Mochten er afspraken omtrent persoonlijke ontwikkeling dan wordt er tevens een planning bij gemaakt omtrent de uitvoering. Verder kan het UMC ook regels vastleggen met betrekking tot beoordelingen. Zorg dat je hierover van te voren geïnformeerd bent/wordt zodat je weet wanneer je beoordeeld wordt, op welke criteria, de wijze van beoordeling, de consequenties, etc. (Artikel 3.6.2).
Hoofdstuk 5 gaat over vergoedingen en tegemoetkomingen in de meest ruime zin. Hier vallen onder andere de verhuiskostenregelingen en de regeling woon-werkverkeer onder. Zorg ervoor dat van te voren duidelijk is of jouw werkgever een bijdrage levert in eventuele verhuiskosten. Wanneer je verplicht wordt te verhuizen heb je hier sowieso recht op, maar ook als je vrijwillig verhuist kun je hier aanspraak op maken (Artikel 5.4 en verder). Samen met de OR worden er voor iedere UMC regels vastgesteld omtrent vergoeding van de kosten van het dagelijks reizen tussen de woning en het UMC. Aangezien die voor elke UMC anders zijn, adviseert het PNN hierover tijdens het arbeidsvoorwaarden gesprek informatie over aan te vragen en eventueel deze vergoeding meteen te regelen. Verder zijn er ook vergoedingen voor telefoonkosten (Artikel 5.5) die wellicht van toepassing kunnen zijn.
Hoewel voor OIO’s waarschijnlijk niet echt van belang of interessant bedraagt een dienstverband met volledige arbeidsduur 1872 uur per jaar ofwel 36 uur per week. In onderling overleg kan dit tijdelijk tot maximaal gemiddeld 40 uur per week uitgebreid worden met bijbehorende extra salaris en berekening van pensioen e.d. (Artikel 6.1.1). Hetzelfde geldt ook voor een tijdelijk vermindering alleen dan over het verminderde salaris (Artikel 6.1.2). In principe worden zulke afspraken gemaakt tijdens jaargesprekken. Vermindering van de arbeidsduur wordt in principe altijd ingewilligd. Je bent verplicht jaarlijks minimaal twee aaneengesloten weken vakantie te nemen (Artikel 7.1.3). Er kunnen eventueel lokale regelingen omtrent het opnemen en verlenen van vakantie zijn, dus vraag dit even na bij je personeelsdienst. UMCs dienen niet opgenomen vakantieuren aan het einde van je dienstverband uit te keren in geld. Per vakantieuur krijg een vergoeding van je laatstverdiende uurloon. Dit kan maximaal 2 maal (voor VUmc en UMC St. Radboud 5 maal) je jaaraanspraak op vakantieuren zijn. Artikel 7.3.2 regelt verlof bij persoonlijke omstandigheden (trouwen, geboorte, overlijden). Hoewel bij zwangerschaps- en bevallingsverlof gewoon doorbetaald wordt (Artikel 7.3.5) is het niet geheel duidelijk of de 16 weken verlof ook aan het einde van het tijdelijke contract toegevoegd worden zoals dat in de CAO NU is geregeld. Het PNN maakt zich sterk om hiervoor in de nieuwe CAO UMC een duidelijke regeling op te nemen. Voorts is er omtrent ouderschapsverlof niets geregeld in de CAO UMC en kun je dus ONBETAALD verlof nemen voor de helft van je arbeidstijd voor maximaal 26 weken (Wet Zorg en Arbeid Artikel 6).
Hoofdstuk 8 gaat over ziekte en arbeidsongeschiktheid en zal alleen waar nodig uit de kast getrokken worden. Wij beperken ons hier tot het vermelden dat men verplicht is zo spoedig mogelijk melding te maken van ziekte waardoor je niet in staat bent te werken (Artikel 8.4). Er kunnen lokale regels voor zijn vastgesteld dus informeer hier even naar bij je personeelsdienst. Het is voor iedereen een eigen keuze, maar informeer jezelf goed omtrent gevolgen van arbeidsongeschiktheid en wat je hier eventueel tegen kunt doen. Voorts kan je als OIO ook via het UMC deelnemen aan een collectieve zorgverzekering bij NV Zorgverzekeraar UMC (Artikel 9.6). Dit biedt vaak voordelen boven andere zorgverzekeringen qua premie en dekking. Je personeelsdienst weet hier meer over en je kunt ook op de website van de zorgverzekeraar kijken.
Hoofdstuk 12 gaat over einde dienstverband (Hoofdstuk 12a voor VUmc en UMC St. Radboud). Artikel 12.7 behandelt het einde van het dienstverband voor bepaalde tijd. Zodra de bepaalde tijd is verstreken wordt je geacht eervol ontslag te zijn verleend. Echter het UMC kan je ook eerder ontslaan met een opzegtermijn van 3 maanden wanneer je langer dan 12 maanden onafgebroken in dienst bent geweest. Tijdens en na je zwangerschap kun je niet ontslagen worden. Verder heb je na ontslag of afloop van je contract recht op een uitkering op grond van de Werkeloosheidswet (WW) en de Bovenwettelijk Werkeloosheidsregeling UMC (BWUMC). Hierover weet je personeelsdienst ook meer.
Als laatste komt Hoofdstuk 18 aan bod. Hierin wordt het keuzemodel arbeidsvoorwaarden besproken. Het voert te ver om alles in detail te behandelen, maar je kunt (a) tijd voor tijd, (b) geld (bijvoorbeeld vakantiegeld of eindejaarsuitkering) voor aanspraken in natura (bijvoorbeeld fietsplan, vakbondscontributie en in bepaalde gevallen ook voor woon-werkverkeer) en extra pensioen, en (c) geld voor levensloopverlof ruilen. Lees de bepalingen van de CAO goed door en daarnaast ook de (schriftelijke) voorlichting van jouw UMC (verplicht, zie Artikel 18.3). Vraag hier bij je aanstellingsgesprek of arbeidsvoorwaardengesprek altijd naar en doe hieraan mee want het kan je aanzienlijk financieel voordeel opleveren zonder veel moeite.
Niet alle UMCs hebben een promovendi-vertegenwoordiging. Je kunt altijd terecht bij de universitaire vertegenwoordigers die op de site staan vermeld aankloppen om te informeren wie de UMC vertegenwoordiging is. Zij kunnen je ook op andere gebieden informatie verschaffen en ondersteunen. Dus, wees assertief en geïnformeerd. Spreek bij het begin van je promotietraject dan ook altijd goed door met jouw begeleider(s), promotor(es), en eventueel P&O wat je van hen verwacht en wat ze van jou verwachten en hoe die verwachtingen vorm krijgen en uitgewerkt dienen te worden. Veel succes met je arbeidsvoorwaardengesprek en de start van je promotietraject.
* VUmc en UMC St. Radboud hebben in bepaalde gevallen uitzonderingsbepalingen in verband met het bijzondere karakter van deze organisaties. Onder andere op het gebied van einde dienstverband en toepassingbereik van de CAO zijn er aparte bepalingen (Hoofdstuk 1a en 12a). Mocht je in dienst komen van deze organisaties, lees dan even goed de zaken die van toepassing zijn in de CAO door.
CAO OI
Zoals al eerder vermeld is de huidige CAO OI, die loopt van 1 januari 2008 tot 1 juli 2010, van toepassing op promovendi werkzaam aan de volgende instituten:
- Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI);
- Stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM);
- De Koninklijke Bibliotheek (KB);
- Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO);
- Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (Kon. NIOZ).
In de definitielijst staat expliciet de functie OIO opgenomen en gedefinieerd. OIO is een onderzoeker in opleiding: een werknemer die na een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen bij een universiteit dan wel afsluitend examen bij een instelling voor Hoger Beroepsonderwijs een dienstverband voor bepaalde tijd heeft teneinde zich door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek alsmede door het ontvangen van onderwijs verder te bekwamen tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper.
Artikel 1.5 lid 2 stelt dat iedere werknemer die een dienstverband aangaat met een onderzoeksinstelling een exemplaar van de CAO ontvangt of toegang krijgt tot de digitale versie. Zorg dus ook dat je die krijgt! Daarnaast hebben de vakbonden en de universiteiten ook afgesproken te goeder trouw en naar letter en geest de verplichtingen van de CAO na te komen. Wanneer er twijfel of onduidelijkheid ontstaat over de precieze inhoud of strekking van de CAO, vertrouw dan niet altijd op je personeelsfunctionaris, maar neem vooral contact op met je vakbond om te informeren hoe de letter of de geest van een bepaalde regeling uitgelegd dient te worden. Want zowel de werkgever als de OIO dient zich te gedragen als goede werkgever respectievelijk goede werknemer (Artikel 1.5). Bijvoorbeeld, wanneer je nevenwerkzaamheden, zoals bestuursfuncties bij promovendi-overleggen, gaat vervullen of al vervuld voordat je in dienst treed, dien je dit te melden (voor regels omtrent nevenwerkzaamheden kunnen regels gesteld zijn, informeer hierover bij je personeelsfunctionaris). Spreek bij het begin van je promotietraject dan ook altijd goed door met jouw begeleider(s), promotor(es), en eventueel P&O wat je van hen verwacht en wat ze van jou verwachten en hoe die verwachtingen vorm krijgen en uitgewerkt dienen te worden.
Niet geheel onwaarschijnlijk is het feit dat onderzoek kan leiden tot een octrooieerbare uitvinding of tot het winnen van een ras waar kwekersrecht op kan worden verkregen. De promovendus is verplicht om dit te melden aan de universiteit. Artikel 1.9 van de CAO is hierop van toepassing. De uitvinder of kweker krijgt hiervoor GEEN vergoeding (Artikel 1.9.4) anders dan het betaalde loon.
Verder heeft elke organisatie een met de Ondernemingsraad (OR) afgestemde klokkenluidersregeling waarbij werknemers een vermoeddelijke misstand veilig en adquate moeten kunnen melden (Artikel 1.10). Daarnaast bestaat er ook een gedragscode omtrent seksuele intimidatie, agressie en geweld (Artikel 1.5.21). Voorts is het NIET toegestaan allerlei giften en dergelijk aan te nemen uit hoofde van je functie zonder voorafgaande toestemming van je werkgever.
Hoofdstuk 2 behandelt de werving, selectie, en het dienstverband. Elke onderzoeksinstelling heeft een met de OR afgesproken sollicitatiecode waarbij de code van de Nederlandse Vereniging voor Personeelsbeleid (NVP) als vertrekpunt dient. Voordat je begint krijg je een document (aanstellingsbesluit of arbeidscontract) uitgereikt waarin zaken als functie en salaris geregeld zijn (zie voor een compleet overzicht Artikel 2.3). Controleer dit document altijd goed en schroom niet om verduidelijking te vragen.
Speciaal voor OIOs zijn de bepalingen van Hoofdstuk 12 van belang.Afhankelijk van het doel (hetzij het vervaardigen van een proefschrift/proefontwerp, hetzij meewerken aan een onderzoeksproject/vervaardiging van een beperkt technologisch ontwerp) krijg je een dienstverband van ten hoogste 4 of 2 jaar (Artikel 12.2).Probeer in je onderhandeling over je contract ook altijd te streven naar de maximale termijn. Gezien de gemiddelde duur van een promotie van 5 jaar, is een 4-jarig contract voor een proefschrift geen overbodige luxe. De werkgever kan besluiten om je maximaal een verlenging van een jaar aan te bieden aan het einde van je traject (Artikel 12.2). Hiervoor gelden ook de bepaling in Artikel 2.11 dat je niet meer dan twee keer een verlenging kan krijgen (bijv. twee keer een half jaar, maar niet drie keer vier maanden). Dit jaar kan enkel en alleen meer worden door een verlenging op basis van jouw verzoek om het te verlengen op basis van de duur van (a) het genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof, (b) het genoten ouderschapsverlof, (c) de tijdsbesteding in het kader van het lidmaatschap van de OR of Lokaal Overleg (LO), (d) de periode die je in deeltijd hebt gewerkt (Artikel 2.9). Dit verzoek zou eventueel kunnen worden geweigerd maar enkel op grond van de reden dat afronding van het project niet meer in lijn der verwachting light (Artikel 2.9 lid 3). De regel is dat je fulltime in dienst komt (38 uur), maar het kan voorkomen dat je in deeltijd gaat werken. Je contract wordt dan evenredig verlengt. Verder kan je als OIO geen beheerstaken (management) toebedeeld krijgen. Artikel 4.1 regelt de arbeidsduur en treft voorzieningen voor werknemers met verschillende religieuze achtergronden. Het is toegestaan om op voor jou geldende religieuze feestdagen die op een werkdag vallen een verlofdag te nemen (Artikel 4.1 lid 4 sub c).
Je bezoldiging bedraagt per 1 januari 2009 in je eerste jaar 2005 euro om via 2339 euro, 2448 euro, te eindigen in je vierde jaar op 2569 euro. Deze bedragen zijn conform de OIO salarisschaal uit Bijlage 1 van de CAO. Echter, als enige van alle CAO’s heeft de CAO OI een bepaling (Artikel 12.3 lid 3) dat er expliciet rekening gehouden kan worden met opgedane werkervaring in het vaststellen van de hoogte van het salaris. Wanneer je denkt dat deze bepaling op jou van toepassing is, laat dit dan tijdig weten. Echter trede 4 is wel de hoogste trede en na het bereiken van trede 4 is er geen verhoging meer mogelijk. Telkens na een jaar wordt je salaris periodiek verhoogd, tenzij je naar het oordeel van je werkgever niet naar behoren je functie vervuld. Hierbij moet de werkgever dus actie ondernemen om te zorgen dat je geen verhoging krijgt, anders krijg je altijd een verhoging van je salaris. Je salaris en eventuele toeslagen worden maandelijk uitgekeerd. In 2009 ontvang je in december een volledige dertiende maand, wat overeenkomt met 8,33 procent van je jaarsalaris. Mocht je bijvoorbeeld per 1 juli zijn begonnen dan ontvang je de eindejaarsuitkering naar rato (in dit geval een half jaar, dus 4,165 procent van je jaarsalaris). Ook krijg je 8 procent vakantieuitkering in mei uitgekeerd over de periode juni van het voorgaande jaar tot en met mei van het huidige jaar. Verder kun je op grond van Artikel 3.8 een functioneringstoelage krijgen wanneer je extreem goed functioneert en je al in je maximum trede van de OIO schaal zit. Ook kan er een toelage vastgesteld worden voor werving en behoud van de OIO (Artikel 3.13). Voorts bouw je via je werkgever ook pensioen op bij Stichting Pensioenfonds ABP. Verder heeft elke universiteit een regeling omtrent de vergoeding van onkosten in verband met arbeid (Artikel 10.1). Hier vallen bijvoorbeeld reis- en verblijfkosten onder met betrekking tot bijvoorbeeld congresbezoeken. Ook bevat de CAO een uitgebreidde verhuis- en herinrichtingskostenregeling (Artikel 10.3 tot en met Artikel 10.8). Gezien de 2.042 euro herinrichtingskostenvergoeding en het vergoeden van de kosten om je inboedel te verhuizen door een erkend verhuisbedrijf is het financieel belangrijk om tijdens je arbeidsvoorwaarden gesprek dit ter sprake te brengen.
Een belangrijk doch vaak misgevat onderdeel van de CAO is Artikel 12.6. Hierin wordt het opleidings- en begeleidingsplan (OBP) van een promovendus behandelt. Minimaal dient in het OBP vastgelegd te worden (1) welke kennis en vaardigheden dienen te worden verworven en op welke wijze dat dient plaats te vinden, (2) wie begeleider en promotor zijn en wanneer de begeleider niet de promotor is, dat bij aanvang en op alle momenten die beslissend zijn in de voortgang van het promotieonderzoek een gesprek heeft met de promotor, met een minimum van éénmaal per jaar, en (3) de omvang van de tijd van persoonlijk begeleiding van je begeleider in uren per maand waar je als promovendus recht op hebt. Afspraken uit het OBP zijn bindend en dienen nageleefd te worden. Het is vooral belangrijk dat er voldoende tijd besteed wordt aan kwalitatief goede begeleiding. Vooraf is het zeer belangrijk om gezamenlijk te bepalen wat hiaten zijn in je kennis en vaardigheden en welke cursussen of andere trainingen hiervoor gevolgd moeten worden. Praat hierover niet alleen met je begeleider en promotor, maar ook met je collega-promovendi, mensen uit je onderzoeksschool en graduate school, en andere collega’s op de afdeling. Een ander belangrijk element is dat het OBP aan jou als promovendus uitgereikt wordt en dat je dus niet enkel en alleen zelf zo’n OBP schrijft (Artikel 12.6 lid 1). Voorts is er ook nog een extra regeling omtrent de inzet van maximaal 10 vakantiedagen (Artikel 12.6 lid 5) ten behoeve van carrièregerichte maatregelen. Het is vanaf 2007 verplicht om hier in het jaargesprek afspraken over te maken. Gegeven het feit dat er door OIOs vaak niet alle vakantiedagen opgemaakt worden, kunnen afspraken gemaakt worden om 10 vakantiedagen om te zetten in een budget voor jezelf om bijvoorbeeld loopbaanadviestrajecten te volgen. Dit budget is in je eerste jaar zo’n 950 euro tot 1250 euro in het vierde jaar. Hiervoor dien je wel 10 vakantiedagen in te leveren. Overigens betekent dit niet dat het verplichte cursusaanbod hieruit betaald dient te worden, want dit moet door de werkgever betaald blijven worden (Artikel 12.6 lid 5). Informeer over de mogelijheden en regelingen bij je personeelsdienst. Verder krijgt elke OIO aan het einde van het dienstverband een getuigschrift met daarin minimaal een overzicht van het verrichte onderzoek en op dit onderzoek betrekking hebbende publicaties en een overzicht van het gevolgde onderwijs (Artikel 12.9).
Jouw werkgever heeft op basis van de CAO (Artikel 12.7) een beoordelingsregeling voor OIOs in het leven geroepen. Het is van belang dat je voor je aan je promotietraject begint goed weet wat deze regeling inhoudt en op basis van welke criteria je wordt beoordeeld. Zorg dat je van deze regeling op de hoogte bent zodat je daar ook in je OBP rekening mee kunt houden. Mocht je naar aanleiding van de procedures of andere zaken een geschil krijgen met je begeleider, promotor, of leidinggevende, dan kun je een beroep doen op de geschillenregeling (Artikel 12.8).
Je hebt als OIO recht op 338 vakantieuren op basis van een feitelijke werkweek van 40 uur. Je arbeidscontract is op basis van 38 uur dus 2 uur per week zit in die 338 uur. Mocht je in deeltijd werken dan worden die uren naar rato toegekend. De CAO gaat ervanuit dat je minimaal 130 vakantieuren opneemt inclusief de collectieve sluitingsdagen. In principe stelt de werkgever de vakantie vast in overeenstemming met de wensen van de werknemer (Artikel 5.2) waarbij er tenminste 2 weken aaneengesloten geen arbeid wordt verricht. Je mag maximaal 80 vakantieuren meenemen naar het volgende jaar. Mocht je toch meer uren overhouden dan moet je werkgever met jou afspraken maken om het aantal terug te drinken in het volgende jaar zodat aan het einde van dat jaar niet meer dan 80 uur vakantieaanspraak bestaat. Verder kan je op basis van het lidmaatschap van het bestuur van een werknemerorganisatie, bijvoorbeeld de PhD council van jouw onderzoeksinstituut, een extra verlof krijgen van 120 tot 240 uur afhankelijk van de functie. Informeer over deze mogelijkheden en vooral of het mogelijk is om die tijd aan het einde van je contract erbij te krijgen. Mocht je in je OIO periode ouderschapsverlof willen opnemen sla dan Artikelen 5.15 tot en met 5.20 erop na. Je mag ouderschapsverlof opnemen wanneer je één jaar voltijd in dienst bent geweest. Je krijgt een half jaar 75 procent bezoldiging doorbetaald over de uren van het ouderschapsverlof (maximaal de helft van je werkweek) wanneer je kind nog geen 4 jaar oud is. Op basis van het eerder genoemde Artikel 2.9 is verlenging aan het einde van je contractduur met de duur van het ouderschapsverlof mogelijk. Zoals altijd, ga in een vroeg stadium hierover het gesprek met je werkgever aan en informeer jezelf zo goed mogelijk met de CAO in de hand. Bepalingen omtrent het levensloopverlof staan ook geregeld in de CAO OI in Artikel 5.23.
In Hoofdstuk 7 vindt je alles omtrent functionerings- en beoordelingsgesprekken terug. Tenminste éénmaal per jaar vindt er een functioneringsgesprek plaats tussen je leidinggevende en jezelf omtrent de inzetbaarheid, loopbaanvorming en scholing, waarbij de werkgever nadere regels heeft vastgesteld over:het doel;
- de onderwerpen;
- de deelnemers;
- de frequentie;
- de schriftelijke vastlegging van het functioneringsgesprek (Artikel 7.1)
Deze regels zijn op te vragen bij je personeelsdienst en vraag ze ook op. Dan kun je je goed voorbereiden op zo’n gesprek. Hierbij dient ook invulling gegeven te worden aan de vakantiedagen afspraken (Artikel 12.5 lid 5) en scholing en competentieontwikkeling in het kader van employability (Artikel 6.4 lid 4).
Sneller dan je denkt is je promotietraject ook weer voorbij. Of je nu wel of niet klaar bent, je contract als OIO eindigt automatisch van rechtswege. Hierover hoeft de werkgever je niet te berichten al zal je werkgever dit in de praktijk waarschijnlijk wel doen. In ieder geval ben je, om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de (Bovenwettelijke) Werkeloosheidsregeling OnderzoeksInstellingen ((B)WOI), verplicht bent om uiterlijk de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid bij het uitvoeringsorgaan (UWV) aangifte te doen van de werkloosheid en binnen drie weken na het intreden van werkloosheid een aanvraag om een uitkering in te dienen, onverminderd het overigens in de WW en (B)WOI ten aanzien van verplichtingen van jou bepaalde (Artikel 9.1 lid 2). Hoewel dit natuurlijk allemaal erg formeel is, adviseert het PNN je om richting het einde van je contract eens goed te kijken of je binnen je contractstermijn je dissertatie kunt afronden of dat je eventueel meer tijd nodig hebt. Wij zijn van mening dat het tijdig afronden van je proefschrift een gezamenlijk verantwoordelijkheid is van de promovendus als de universiteit (i.c., de begeleider(es) en promotor(es)). Schroom dan ook niet om tegen het einde van je contract te praten over een korte verlenging van je contract om je proefschrift definitief af te ronden. Want vergeet niet, de gemiddelde duur van een promotietraject ligt op 5 jaar. Veel succes met je arbeidsvoorwaardengesprek en de start van je promotietraject.



