Loopbaanbegeleiding

Uiteindelijk kan niet iedere promovendus aan het einde van zijn promotietraject in de wetenschap terecht. De vanzelfsprekendheid waarmee dit hier staat geschreven is echter geen algemeen goed. Veel promovendi starten een promotietraject met het idee daarmee definitief voor de wetenschap gekozen te hebben. Ook begeleiders zijn zich vaak niet bewust van de carrièreperspectieven van de startende promovendus. Concreet betekent dit dat er bij de werving van promovendi en ook tijdens de promotiefase meer aandacht moet komen voor de periode na de promotie en de mogelijkheden van de promovendus binnen en buiten de wetenschap. Als een promovendus bijvoorbeeld een goede kans wil hebben op het binnenhalen van subsidies na de promotie, kan er bewust voor worden gekozen tijdens het promotietraject buitenlandervaring op te doen.

Naast het vergroten van de kansen op een plek binnen de academie kan een promovendus zich tijdens zijn promotiefase ook voorbereiden op een eventuele carrière buiten de wetenschap. Er zouden bijvoorbeeld al tijdens het promotietraject contacten kunnen worden gelegd met het bedrijfsleven of de overheid door middel van een duaal promotietraject, een stage of een mentor. Een ander belangrijk aspect voor een goede doorstroming van promovendi naar het bedrijfsleven is een brede opleiding voor promovendi. In plaats van louter onderzoeksgericht onderwijs aan te bieden, is het van belang promovendi ook zogenaamde transferable skills mee te geven. Dit zijn vaardigheden die ook buiten de wetenschap van waarde zijn, zoals management- en presentatievaardigheden. Op deze wijze worden jonge promovendi beter voorbereid op een carrière buiten de wetenschap en zijn zij voor het bedrijfsleven aantrekkelijker. Voor concrete hulp bij het nadenken over en vinden van een baan buiten de wetenschap kunnen universiteiten arbeidsmarktbureaus instellen, of de bestaande bureaus voor studenten de taak geven ook promovendi hiermee te helpen.

Loopbaanbegeleiding voor promovendi gelieerd aan een universiteit
In de CAO NU wordt er aandacht besteed aan rechten en plichten van zowel werkgever als werknemer omtrent loopbaanbegeleiding. Het loopbaanbeleid (Artikel 6.5) geeft aan dat iedere werknemer die voor twee jaar of meer in dienst is, waaronder dus ook promovendi, in de gelegenheid wordt gesteld om loopbaanadvies in te winnen bij een professionele organisatie. Dit wordt betaald door de universiteit. Het moet op een zodanig tijdstip plaatsvinden dat het ook bruikbaar is voor een individueel begeleidingstraject, dat erop gericht is op het vermeerderen van de kansen op de interne of externe arbeidsmarkt. Onder meer middels loopbaanbeleid proberen de universiteiten ontplooiingsmogelijkheden en carrièreperspectieven van promovendi te bevorderen.

Hoewel voor promovendi het Opleidings- en Begeleidingsplan (OBP) een belangrijk scholingselement in zich heeft, kan je je als promovendus ook beroepen op Artikel 6.9 van de CAO dat gaat over scholing. Hierin valt te lezen dat het op peil houden van kennis en ervaring van de werknemer om de kansen op de arbeidsmarkt, zowel binnen als buiten de academische sector, te behouden en zo mogelijk te versterken, een gezamenlijk verantwoordelijkheid is van werkgever en werknemer. De universiteit kan je verplichten bepaalde opleiding of studie te volgen, jij hebt recht op scholing en je kunt de universiteit verplichten daarvoor faciliteiten te verlenen. Scholing van zogenoemde transferable skills vallen hier ook onder. Een stage kan een ander voorbeeld zijn.

Loopbaanbegeleiding voor promovendi gelieerd aan een universitair medisch centrum
Hoofdstuk 3 van de CAO UMC behandelt aspecten van loopbaanontwikkeling en de scholing die daarbij komt kijken en het functioneren van werknemers en hoe dat beoordeeld wordt. Als OIO heb je recht om je zo te ontwikkelen en te scholen dat je in staat bent je functie adequaat uit te oefenen (Artikel 3.1). De kosten en tijd die je hiermee kwijt bent zijn voor rekening van het UMC. Verder heb je ook recht op scholing en opleiding voor het uitoefenen van een andere (toekomstige) functie wanneer dat past in je loopbaanvooruitzicht en je daarover afspraken maakt binnen een jaargesprek. Kosten en tijd zijn in principe voor de helft voor eigen rekening, maar je kunt heel goed afspraken hierover maken dat de werkgever alles betaald. Zorg dat je zulke afspraken maakt en leg ze vast! Artikel 3.1.1 definieert de kosten die betaald worden, waar onder curus-, les-, of schoolgelden, reiskosten, examenkosten, etc. Hoewel je als OIO vaak binnen een landelijke onderzoekschool of lokale graduate school opleidingen krijgt aangeboden en kunt volgen waarbij je geen kosten hoeft te betalen, is het dus ook mogelijk om voor jezelf, je onderzoek, of je vervolgcarrière belangrijke scholing te volgen. Er gelden in de CAO echter wel voorwaarden voor de vergoeding (Artikel 3.1.2).

Verder heeft iedere werknemer van een UMC een persoonlijk budget tot zijn beschikking. Dit was over het jaar 2008 een maandelijkse opbouw van 0,25% van het genoten salaris. In 2009 is dit 0,5% en in 2010 1%. Dit budget wordt in prinicpe aangewend voor uitgaven ten behoeve van ontwikkeling in 2010 (Artikel 3.2.2). Stel dat je in 2008 bent begonnen dan loopt dit persoonlijk budget op tot zo’n 500 euro in 2010. Dit bedrag komt bovenop de eerder geschetste opleidingskosten. Het is dus een extraatje wat je in mag zetten voor je eigen ontwikkeling. Je kunt dit bijvoorbeeld inzetten voor loopbaanadvies. Echter, loopbaanadvies (Artikel 3.5) kun je ook verkrijgen bij een door de WERKGEVER aan te wijzen INTERNE deskundige (?!?). Als wordt besloten een externe deskundige in te schakelen gebeurt dit in overleg met de medewerker. Het PNN adviseert om altijd te kijken of je bij een externe organisatie loopbaanadvies kunt krijgen. Besteed hier aandacht aan in je functioneringsgesprek(ken).

Loopbaanbegeleiding voor promovendi gelieerd aan een onderzoeksinstelling
In de CAO OI is een regeling omtrent de inzet van maximaal 10 vakantiedagen (Artikel 12.6 lid 5) ten behoeve van carrièregerichte maatregelen. Het is vanaf 2007 verplicht om hier in het jaargesprek afspraken over te maken. Gegeven het feit dat er door OIOs vaak niet alle vakantiedagen opgemaakt worden, kunnen afspraken gemaakt worden om 10 vakantiedagen om te zetten in een budget voor jezelf om bijvoorbeeld loopbaanadviestrajecten te volgen. Dit budget is in je eerste jaar zo’n 950 euro tot 1250 euro in het vierde jaar. Hiervoor dien je wel 10 vakantiedagen in te leveren. Overigens betekent dit niet dat het verplichte cursusaanbod hieruit betaald dient te worden, want dit moet door de werkgever betaald blijven worden (Artikel 12.6 lid 5). Informeer over de mogelijheden en regelingen bij je personeelsdienst.

Tot slot
Jouw carrière is JOUW carrière. Hoewel het PNN van mening is dat de werkgever actief moet zijn in het begeleiden van promovendi naar een vervolgbaan, ligt hier ook nadrukkkelijk een taak voor promovendi zelf. Informeer tijdig naar de mogelijkheden die jouw promotor(es), begeleider(s), of collega(e) zien met betrekking tot een vervolgcarrière in de wetenschap. Praat ook over hetgeen je zelf kunt doen om die kans te vergroten en informeer daarbij ook naar de facilteiten die jouw werkgever daarin biedt. De hierboven geschetste instrumenten zijn in ieder geval voorhanden, maar wellicht is er meer. Stel loopbaanadvies ook nadrukkelijk centraal zodra je op de helft van je promotietraject bent. De ervaring leert dat het laatste jaar veel te druk is om loopbaanadvies en -begeleiding te krijgen. Gebruik hiervoor vooral je derde jaar. Orienteer je ook nadrukkelijk op de externe arbeidsmarkt, want 8 van de 10 promovendi komen uiteindelijk buiten het academische onderzoeksveld terecht.