Overzicht inbreng schriftelijk overleg ‘Experiment promotieonderwijs’

Naar aanleiding van de aanbieding van het ontwerpbesluit experiment promotieonderwijs door minister Bussemaker zijn er door de vaste commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap schriftelijke vragen gesteld.

Een behoorlijk aantal vragen gaat specifiek in op onze speerpunten. Allereerst stellen meerdere partijen vragen over de omvang van het experiment. Zo geeft de PvdA-fractie aan dat zij zorgen hebben over de omvang, aangezien het experiment mogelijk maakt dat de komende jaren tien procent van de promovendi een promotiestudent kan zijn: “Is de minister van mening dat bij een dergelijke omvang nog wel gesproken kan worden over een experiment?”

Ook worden vragen gesteld over de hoogte van de beurzen: “De leden van de SP-fractie vragen of er harde afspraken met de universiteiten zijn gemaakt, of nog gemaakt gaan worden, over de vaststelling van de hoogte van de beurzen. Er wordt nu gesproken van uitgangspunten, maar in hoeverre kunnen individuele universiteiten of opleidingstrajecten hier van af wijken?”

Het CDA merkt op de studentpromovendi geen sociale voorzieningen opbouwen tijdens hun promotie. In de opbouw van pensioen en rechten ten aanzien van werkloosheidsuitkeringen en bijstand hebben zij een minder gunstige positie dan werknemerspromovendi. “Bevordert dit dan toch niet onbedoeld de tweedeling in eersterangs- en tweederangstrajecten waar de Raad van State ook al eerder op wees?”

Lees hier het hele verslag van de inbreng van het schriftelijk overleg.

De vervolgprocedure is als volgt. Bovenstaande vragen zijn op 24 februari ingediend. De minister heeft vanaf dat moment drie weken de tijd de vragen te beantwoorden. Zodra de Kamer de antwoorden heeft ontvangen, is er de mogelijkheid vervolgvragen te stellen. Ook kunnen Kamerleden een debat aanvragen. Dat biedt eventueel de mogelijkheid moties in te dienen. PNN volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en rapporteert hier regelmatig over.