Ervaringen van een beurspromovendus

Ingezonden brief

Als pas afgestudeerd archeoloog was ik maar wat blij toen ik in 2008 aan een promotietraject aan de Rijksuniversiteit Groningen mocht beginnen. Het feit dat ik als bursaal PhD student aan de slag zou gaan en niet zou worden aangesteld als promovendus mocht de pret niet drukken. Op dat moment waren de verschillen tussen deze twee arbeidsvormen mij niet erg duidelijk, en de universiteit deed er weinig aan om de mist rondom de status van bursalen te doen optrekken.

Echt vervelend werd het pas toen bleek dat mijn directe collega’s, die toch echt precies hetzelfde werk deden als ik, plots een eindejaarsuitkering en vakantiegeld bleken te krijgen en ik niet. Maar ach, ik was werkzaam in de wetenschap en mocht mij gelukkig prijzen, toch? Inmiddels heb ik mijn promotieonderzoek naar behoren afgerond en mijn proefschrift succesvol verdedigd. Wat is het dan zuur dat je na ruim 4 jaar hard werken niet eens in aanmerking komt voor een WW-uitkering en in al die jaren ook geen pensioen blijkt te hebben opgebouwd.

Zouden we mensen die zich willen inzetten voor de wetenschap niet wat meer tegemoet moeten komen? Natuurlijk, de meeste jonge onderzoekers zijn bereid om zich ook tegen een laag loon in te spannen voor hun passie en zij nemen daarbij het onzekere toekomstperspectief voor lief. Maar in het bursalensysteem wordt de toewijding van jonge wetenschappers wel heel extreem uitgebuit. De arbeidskosten zijn zeer laag, terwijl de promotiebonus voor de universiteit ongewijzigd hoog blijft: promovendi als wegwerpproduct. Er dreigt een rat race to the bottom te ontstaan: welke universiteit kan tegen de laagste prijs promoties realiseren?

‘Mijn’ Rijksuniversiteit Groningen heeft inmiddels vele honderden bursaal promovendi gefinancierd. Een langlopende rechtszaak, aangespannen door een aantal (ex-) bursaal promovendi, werd in hoger beroep door de universiteit gewonnen. Echter, na een conflict met de Belastingdienst dat ontstaan was doordat de bursalenregeling in strijd bleek met enkele fiscale regels, besloot de RUG het bursalensysteem in 2014 voorlopig in de koelkast te zetten.

Gezien de jarenlange ervaring met bursalen van de RUG (en overigens ook de UvA), verbaast het mij hogelijk dat Minister Jet Bussemaker het bursalensysteem nu lanceert als een nieuwe optie die nog niet eerder verkend is. In de media wordt gesproken van een ‘experiment’ en universiteiten lijken zich te verdringen om er als eerste aan te mogen deelnemen. Waarom niet eens wat Groningse (ex-) bursalen aan de tand gevoeld? Wij hebben jarenlang als proefkonijn gefungeerd en doen onze ervaringen graag uit de doeken. Of is men soms bang dat een wetenschappelijk analyse van het experiment niet de gewenste uitkomst zal hebben? Bij de RUG zijn we al jaren bezig te ‘werken aan de grenzen van het weten’. Misschien is de grens nu wel bereikt.

Sarah Willemsen